is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 45, 1927, no 48, 30-11-1927

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

secties aflegt. Indien men deze getallen als basis aanneemt, zullen de ontvangsten er als volgt uitzien. Bij 65 passagiers wordt de wagen met 2 x reiziger bezet, van wie ieder een vrachtprijs van 20 pfg. te betalen heeft. De totale ontvangsten per rit bedragen dus 2 X X 20 pfg. = 13 Mark. Daar de lengte van het traject 9 K.M. is wordt per K.M. 1.44 M. ontvangen. Per jaar wordt afgelegd een afstand van 627.000 K.M. zoodat de jaarlijksche ontvangsten op 906.000 Mark geschat kunnen worden.

De tweede manier welke gebruikelijk is om van te voren de ontvangsten te schatten, steunt eveneens hierop dat men mag aannemen dat een wagen op een goed gekozen traject gemiddeld voor de helft bezet is. Voorts mag men aannemen dat per K.M. een tarief van 6 a 7 pfenning gerekend kan worden. Wanneer wij ons baseeren op een tarief van 6 pfenning zou men, aannemende dat in totaal per jaar 627.000 K.M. afgelegd wordt, de volgende totale ontvangst krijgen:

627.000 X 0.06 X = 1.220.000 M.

Volgens deze wijze van berekening komt men op een bedrag dat nog hooger is dan het eerste, hetwelk de uitkomst was van een ta.rief met secties. Om de al of niet rentabiliteit na te gaan zullen wij daarom aan het eerste (kleinste) bedrag vasthouden. Men kan dan de volgende opstelling maken:

'l'otale jaarlijksche ontvangsten . g 06.000 M. d'otale jaarlijksche uitgaven . . 673.000 M.

Overschot . . . 232.500 M.

De beteekenis van dit getal kan men eerst beoordeelen, wanneer men de overeenkomstige cijfers in een benzinebedrijf berekent.

Het aanlegkapitaal van een benzinebusbedrijf van gelijken omvang is iets kleiner, omdat de hooge kosten van de batterij wegvallen. Daartegenover staat echter dat de benzine-bussen duurder zijn. Bovendien moeten deze meer in de reparatie, zoodat men in plaats van 11 wagens er 13 in gebruik moet nemen. Ook heeft men een grootere v'erkplaats noodig en een brandvrije tankinrichting. Desniettegenstaande heeft men voor den aanleg een kapitaal noodig dat minder bedraagt dan indien men een electrisch bedrijf begint en wel een kapitaal van 599.000 Mark.

De volgende berekening geeft dit aan: 13 wagens 520.000 M.

Banden 26.000 ~

Werkplaats en garage . . . 30.000 Tank 20.000

Bureau 3.000

599.000 M.

De indirecte kosten worden hier aanzienlijk hooger dan bij het electrische bedrijf, aangezien de afschrijving op de wagens hier volgens een hooger percentage ingezet moet worden en omdat de kosten voor de batterijen bui-

ten de berekening gelaten waren. Een nauwkeurige opstelling geeft het volgende:

Afschrijving wagens 104.000 M. ~ werkplaatsen en garage . 4.500 ~

~ tankinstallatie .... 2.000 ~

~ bureau 3.000 ~

Rente gezamenlijk kapitaal .... 47.800 ~

158.600 M.

De uitgaven, onafhankelijk van de geleverde praestaties, zijn vooral door de reparatiecijfers die bij het benzinebecirijf op 15 % gesteld moeten worden, zeer veel hooger dan de overeenkomstige kosten bij het electrische

bedrijf. Ook moeten de personeellasten, tengevolge van de grootere werkplaats die noodzakelijk is, verhoogd worden.

Deze kosten zien er als volgt uit

Huur 6.000 M.

Verwarming en licht . . . 2.500

Reparatie 78.500 ~

Personeel 183.000 ~

270.000 M.

De kosten samenhangende met de geleverde praestaties bestaan uit kosten voor de brandstof, welke, met het oog op de noodzakelijke sterke motoren, op 55 K.G. per 100 K.M. gesteld moeten worden, verder uit de kosten voor smeermiddelen en poetsmaterialen, welke bij benzinewagens meer bedragen dan bij electrische, en bovenal uit de kosten voor de banden. De ervaring heeft geleerd, dat tengevolge van het aanzetten, hetwelk steeds met schokken gepaard gaat, ên de groote trillingen de banden spoedig versleten zijn.

Men kan aannemen dat ze 15.000 K.M. kunnen afleggen. De bovenbedoelde kosten bedragen aldus:

Brandstof 144.000 M. Smeermiddelen 14.000 ~ Poetsmiddelen 8.000 ~ Banden 84.000 ~

250.400 M. Hoewel dit bedrag ongeveer 140.000 M. lager is als het overeenkomstige bedrag bij het electrische bedrijf, zoo zijn toch, alles bij elkaar genomen, de kosten van dit laatste niet hooger dan bij het benzinebedrijf ; integendeel, het benzinebedrijf is nog iets duurder.

De totale kosten per jaar van het benzinebedrijf zien er als volgt uit: 1. Indirecte kosten 158.600 M. 2. Kosten onafhankelijk van de praestaties 270.000 ~ 3. Kosten afhankelijk van de praestaties . 250.000 ~ 679.000 M.

Met deze berekening van het benzinebedrijf is de economie van het electrische bedrijf wel voldoende aangetoond. Mocht men de ingezette bedragen voor de jaarontvangsten te hoog vinden, dan neemt dit niet weg dat het electrische bedrijf onder dezelfde omstandigheden werkende als het benzinebedrijf, minstens zoo economisch en rendabel is.

. Zooals te begrijpen is kan het berekende overschot, groot Mark, niet als zuivere winst in de boeken van het bedrijf ingeschreven worden. Staat en gemeenten komen een deel opeischen in den vorm van wegbelasting, inkomstenbelasting e.a. Men moet er mede rekening houden dat 50 % van de winst op deze wijze wegvloeit. De zuivere winst mag daarom hoogstens op 115.000 Mark geschat worden. I)aar het aanlegkapitaal hierboven genoemd ö.845.500 Mark bedroeg, dan komt men dus op een winst van 16.84 %> 'waarin dan niet begrepen is de 8 % van den rentedienst welke reeds onder (Ie indirecte kosten opgenomen was. Indien de rente van het kapitaal meer dan 8 % moet opbrengen dan wordt zooals vanzelf spreekt de zuivere winst geringer.

De hierboven gegeven berekeningen zijn uit den aard der zaak, met het oog op den omvang van dit artikel, oppervlakkig gehouden.

Toch gelooven wij dat uit de gegeven cijfers en uit de beschrijving van de bussen de conclusie getrokken kan worden, dat een onderneming uitgerust met electrische bussen, welke voorzien zijn van een verdieping waardoor