is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 46, 1928, no 7, 15-02-1928

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebouwde auto’s bedroeg 3.371.885.805 dollar. De autoindustrie staat met dit cijfer bovenaan. Op de automobielindustrie volgen de slachthuizen en vleeschconservenfabrieken.

De productie van deze industrie bedroeg 3.050.000.000 dollar. Daarna komen de ijzer en walswerken met een productie van 2.946.000.000 dollar enz.

De materialen en stoffen welke in de automobielindustrie gebruikt worden, vormen een zeer groot deel van het totale verbruik of het totale productievermogen.

De cijfers luiden als volgt:

Voor walsijzer 14 %.

Voor glas 50 %.

Voor gummi 84,7 %. Voor aluminium 25 %.

Voor koper 12,7 %.

Voor tin 21 %.

Voor lood 13,7 %.

Voor zink 4,3 %.

Voor nikkel 28 %.

80 % van de benzine welke in Amerika gebruikt wordt (dat is rond 40,5 milliard liter) dient voor het drijven van automobielmotoren.

Voor hetzelfde doel wordt er 1,3 milliard liter smeerolie verbruikt.

De spoorwegen klagen zooals men weet over het feit dat de automobielen hen veel vervoer afhandig maken omdat zoowel personen als goederen voor een groot gedeelte per auto langs de straatwegen vervoerd worden.

De automobielenindustrie en de automobielhandel bezorgen aan den anderen kant echter de spoorwegen ook weer vervoer. Dit vervoer wordt voor het jaar 1926 zelfs berekend op een hoeveelheid groot 3.280.000 wagenladingen. In de eerste plaats bevinden zich hieronder 910.000 wagenladingen benzine en 889.778 wagenladingen aan auto’s en onderdeelen. In de vorengenoemde cijfers is niet inbegrepen het vervoer van onderdeelen enz. welke als stukgoed vervoerd worden. Er waren 120.000 wagens noodig voor ijzer en staal voor automobielen, 55.000 voor banden en 37.200 voor smeerolie.

De rest van de bedoelde 3.280.000 wagenladingen werd gevormd door zendingen kolen, bout enz.

De 889.788 wagenladingen voor automobielen en onderdeden komen volgens de statistiek voor het goederenvervoer op de Amerikaansche spoorwegen op de derde plaats van het geheele goederenvervoer. Boven haar staan slechts het petroleumvervoer (petroleum en bijproducten) en het ijzervervoer (profielijzer, plaatijzer en pijpen). Het petroleumvervoer is n.l. 1.73 i. 701 wagenladingen, het ijzervervoer 972.019 wagenladingen groot.

Onder de 49 verschillende staten welke de Vereenigde Staten tellen zijn er 7 waarin meer dan i millioen auto’s tot het verkeer toegelaten zijn. Dit zijn Californië, Illinois, Michigan, New York, Ohio, Pensylvanië en Texas. In totaal brachten de automobielen 712 millioen dollar aan belastingen op; hiervan kwamen ten goede: aan de bondskas 96 millioen, 600 millioen aan de afzonderlijke staten, 15 millioen aan de steden.

Aan belastingen voor toelating tot het verkeer (inch de baten van de rijbewijzen) moest 288 millioen betaald worden. De benzinebelasting bracht bijna 188 mill. op.

In de landbouwbedrijven van de Vereenigde Staten loopen 4.528.422 automobielen. De landbouwer kan met behulp van een auto zijn producten veel sneller naar de markt brengen dan vroeger met paard en wagen. Ook kan hij zoo noodig verder afgelegen markten bezoeken. Hij kan van daar dan tevens medebrengen alle dingen die hij in zijn bedrijf noodig heeft. Het gevolg is geweest dat de auto een groote verandering in de bedrijven teweeg gebracht heeft. De aanschaffing van een groot aan-

tal auto’s in het landbouwbedrijf is mede daaraan te danken dat de bedrijfskosten van een automobiel voor een landbouwonderneming weinig gewicht in de schaal Het ministerie van landbouw heeft in de jaren 1922 en 1924 een onderzoek ingesteld naar de verdeeling der bedrijfskosten in het landbouwbedrijf. Het onderzoek heeft zich uitgestrekt over een elftal staten en over 2886 boerderijen. Het is toen gebleken dat de bedrijfskosten van de auto neel gering waren en wel slechts 80 dollar, nog minder dan de kosten van de brandstof. De verkoopsprijzen van landbouwproducten zijn sinds 1913 sterk gestegen. De landbouwer heeft daarom thans ten opzichte van 1913 veel minder te verknopen om de kosten van een auto te dekken. Die vermindering wordt geschat tusschen ii en 53 % te liggen al naar gelang de landbouwer mais, katoen enz. verbouwt of aan veeteelt doet.

In het jaar 1926 werden er in de Vereenigde Staten 95.225 automobielen gestolen.

Daarvan konden er 85.114 weder aan de rechtmatige eigenaars terugbezorgd worden.

Wat de verdeeling der auto’s aangaat, het volgende:

278.809 bedrijven bezaten 2 auto’s.

98.761 bedrijven bezaten 3 of 4 auto’s.

33.270 bedrijven bezaten s—lo auto’s.

9.663 bedrijven bezaten 10 of meer auto’s.

Het grootste bedrijf is dat van de Spoorweg Expres Mij. Deze maatschappij heeft 6049 wagens, dan volgen de posterijen met 5707 en de Bell-Telefoonmaatschappij met 5000 automobielen. Deze cijfers hebben alle betrekking op het jaar 1926.

In het jaar 1926 liepen er in de Vereenigde Staten 80.040 autobussen. Daarvan waren er 42.040 in gebruik bij openbare vervoersondernemingen terwijl 30.000 ervan voor bijzondere doeleinden dienden. Onder de laatstgenoemde moeten speciaal de schoolomnibussen genoemd worden, waarvan er niet minder dan 32.800 loopen.

Door deze autobussen is het mogelijk geworden de kinderen uit een landbouwstreek naar één zelfde school te brengen. Hierdoor is een groot aantal kleine scholen vervangen kunnen worden door één groote.

Deze is daardoor veel beter van leerkrachten en leermiddelen voorzien dan de scholen van voorheen.

Ingestelde beroepen tegen autobusooncessles.

In de Nederlandsche Staatscourant van 7 Februari 1928 lezen wij o.a. :

De waarn. voorzitter der afdeeling van den Raad van State voor de Geschillen van Bestuur roept bij deze, naar aanleiding van art. 38 der wet van 21 December 1861 (Staatsblad no. 129) en van art. 50 van het Koninklijk besluit van 4 September 1862 (Staatsblad no. 174), op de onbekende belanghebbenden, om zoo zij dit noodig achten te verschijnen in de openbare vergadering der afdeeling, welke zal worden gehouden op Woensdag 15 Februari 1928, des voormiddags te 10.45 uur, waarin verslag zal worden uitgebracht m zake van:

i“. het beroep, ingesteld door J. Prins Az., te Zwartsluis, tegen de beschikking van Gedeputeerde Staten van Overijssel van 21 Juni 1927, 3de afd., no. 3765/ 3767, waarbij hem vergunning is geweigerd voor het onderhouden van een autobusdienst tusschen Zwartsluis-Meppel en Steenwijk, voor zoover deze dienst zou worden onderhouden binnen de provincie Overijssel;