is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1947, 01-01-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Stellen wij hier tegenover enige gegevens over vloedmerksand en en stuifzanden afkomstig van langgerekte vloedmerkstroken op de Vliehors, aldaar opgevangen met jampotten tijdens heftige stormen. Dit stuifzand bevatte 0,94 mg in 100 gram droog zand. Het vloedmerkzand maximaal 0,62 mg. Het vloedmerkzand op de Vliehors dat het opgevangen stuifzand leverde —• gehalte 0,94 — moet zeker nog rijker zijn geweest.

Voorlopig houden wij daarom een waarde van circa 1 mg per 100 gr aan als maximum voor geheel droog stuifzand, d.i. 250 mg per liter, watergehalte in aanmerking genomen. Het vloedmerkzand — gehalte 0,62 — bevatte, watergehalte in aanmerking genomen, 160-240 mg per liter.

De doorwortelingslaag van helm en duitidoorn blijkt resp. ten hoogste 70 en 10 mg nitraatstikstof per liter te bevatten. Er werden circa 20 zandmonsters in dit geval onderzocht. Een duidelijke tegenstelling dus. Daar het opnemingsvermogen van de plant o.a. bepaald wordt door bewortelingstype en specifiek absorptievermogen is het moeilijk aan deze verschillen enige betekenis toe te kennen met het oog op het meer of minder gebonden zijn aan deze standplaatsen. Wel mogen wij zeggen, dat de stikstofvoorziening in het helmmilieu vermoedelijk beter is dan in het duindoornmilieu.

Ten slotte willen wij dit korte overzicht besluiten met de volgende samenvattende beschouwing. Niet voor niets werd door van Dieren de nadruk gelegd op de betekenis van het nitraat als minimum factor voor het verloop van de serie van opeenvolgende vegetaties op de jonge duintjes der primaire strandvlakte. Dit leidde tot de vraag, wat is de maximale hoeveelheid, die daar aanvankelijk aanwezig kan zijn. Getracht werd door een reeks steekproeven te analyseren hieromtrent een indruk te verkrijgen, bodemgegevens dus, zowel wat betreft het nitraatgehalte in de doorwortelingslaag per 100 gram droog zand, als aangaande het nitraatgehalte der vloedmerkzanden en stuifzanden in het vroege voorjaar, voor er nog van enige vegetatie sprake is. Waarbij wij ons van de aanvang af voor ogen gesteld hebben, dat de grote beweeglijkheid van het nitraat in de bodem er gemakkelijk toe leiden zal dat wij niets vinden daar waar het door uitspoeling kortelings verdwenen is, maar toch wel in grotere quantiteit voorradig was. Dit maakt dat wij geneigd zijn de voorlopig aangehouden maximumwaarde van circa 1 mg per 100 grom droog vloedmerkstuifzand toch nog niet te beschouwen als hoogste maximumwaarde.

Welke waarde moeten wij nu aan dit cijfer toekennen, in aanmerking genomen dat er ook andere factoren zijn, die een rol spelen bij de stikstofleverantie aan het wortelstelsel van onze duinplanten? In het bijzonder waar het geldt de pioniergezelschappen in de serie van opeenvolgende vegetaties op het droge duin is de vraag van betekenis, omdat wij hier als het ware te maken hebben met het stikstofuitgangskapitaal, dat, eenmaal organisch gebonden, in die vorm voor volgende gezelschappen wordt vastgelegd, zij het niet meer in opneembare vorm toegankelijk.