is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 2, 1862, 01-01-1862

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijdperk. Het zijn, even min als de oefenaars, dienaars of herders (pastors) van gemeenten, en ze dragen ook dezen titel niet. Daarom verrigten zij geen herderlijk werk; een ieder van hen is wel bevoegd den doop te bedienen en dns leden aan te nemen — een zeer opmerkelijke trek die hen van onze oefenaren geheel onderscheidt — maar niet het avondmaal. In ver de meeste gevalleu leggen zij eene proeve van hunne predikgaven af voor eene gemeente, en zoeken zij hare goedkeuring op hun werk te verkrijgen eer zij het aanvaarden. Tot hen behooren vele jongelieden die als vrijwillige onderwijzers in de zondagscholen of andere dergelijke instellingen gewoon zijn tot kinderen en volwassenen het woord te voeren. Eene Evangelieprediking als de hunne is aan Engeland zoo eigen en met het volkskarakter dat in alle openbaarheid behagen schept, zoo naauw verbonden, dat we, indien we het ook wilden, haar kwalijk in dezen vorm met hoop op een goeden uitslag, herwaarts zouden wenschen overgebragt te zien. Intusschen is het vreemde der zaak nog geen voldoende reden om haar te verwerpen en haar niet onder een vorm, naar onzen landaard en onze zeden gewijzigd, al is het ook van verre, na te volgen. De heilzame vruchten welke de Commissie der gereformeerde gemeente voor de buitenwijken te Amsterdam van haren arbeid, door welgezinde partikuliereu begonnen, en later door de medewerking van predikanten ondersteund, inoogst, mogen hier wel in aanmerking komen om ons over de handelwijze der Baptisten juist te doen oordeelen. Eu hoe vreemd dit verschijnsel ons ook moge voorkomen, niemand zal weigeren daarin een krachtig teeken van inwendig leven te erkennen en