is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 2, 1862, 01-01-1862

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in O. eu W. Pruissen was, vermoede ik, Katharina's hoop gebouwd, om daar wel te slagen. Het was althans onder deze, voor haar oogmerk voordeelige, omstandigheden, dat zij aan haren, met die kolonisatie belasten, commissaris, den Heer Trapp opdroeg, om onder hen eene landverhuizing te bewerken. De schriftelijke oproeping die zij te dien einde het eerst in de Dantziger gemeente liet uitgaan, had echter, ook toen die poging door een persoonlijk bezoek van den Heer Trapp gevolgd en ondersteund, zoo het schijnt ook door wervers bevorderd werd, aanvankelijk het gehoopte gevolg niet. De Pruissische regering werkte haar tegen. Wel weigerde deze eerst niet, om de aangevraagde passen af te geven; maar toen de aanzoeken vermeerderden en zij zich bezorgd begon te maken, dat de zucht tot landverhuizing, ook onder de Doopsgezinden, te sterk zou toenemen, en alzoo een groot deel der beste ondeidanen en van 's lands inkomsten haar zoude ontgaan, nam zij het verlof om uit te trekken spoedig terug. En schoon men, dit te regt als zedelijken dwang beschouwende, daarna een middelweg koos, volgens welken de verlofbrieven onder zekere voorzorgsmaatregelen tegen een te ruim gebruik er van uitgereikt werden, kwam er weldra weer tegenbevel, en alleen oogluikend ging de landverhuizing haren gang.

De eersten die zich opmaakten waren vier onbemiddelde huisgezinnen uit Dantzig. Doch straks volgden ook meer gegoeden, mede uit andere Doopsgezinde gemeenten aan beide zijden van den Weichsel. Tusschen de jaren 178-3 en 1789 verhuisden zoo omstreeks '200 gezinnen, die zich vooral aan de oevers van den Dnieper, in het gouvernement Jekaterinoslow vestigden.