is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door koning Christiaan III bevestigd in een privilegie van 13 Juli 1547, dat wel als de wettelijke grondslag der Hollandsche bezitsrechten op „Grote Magelbiu" (Store Magleby) en Saltholm wordt beschouwd. De Hollanders verplichtten zich jaarlijks 300 Deensche marken bij wijze van schatting te betalen en het Slot te Kopenhagen voortdurend van groenten enz. (Roder och L,0g) te zullen voorzien. Ook zouden zij de Evangelische leer — zij waren evenals de Denen tot het Luthersche geloof overgegaan — handhaven. Hiertegenover werden vrijwel alle overige voorrechten, hun door Christiaan II geschonken, geeerbiedigd. Zoo vormden zij een kleine zelfstandige, min of meer communistische gemeenschap van eigenerfden en als zoodanig een unicum te midden van een nog middeleeuwsche wereld van machtige edelen en geestelijken en slaafsche, hoorige boeren.

Het is belangwekkend na te gaan hoe deze krachtige loot van den Nederlandschen stam zich heeft aangepast bij de nieuwe omgeving: bij den vreemden bodem en bij de vreemde menschen. Wat is er tenslotte van deze overplanting geworden? Een massa gegevens — ik wees hier reeds eerder op — over deze kolonisatie zijn verloren gegaan. Toch is er genoeg overgebleven en vooral dank zij den speurzin van Chr. Nicolaisen bijeengebracht om zich een betrouwbaar beeld van deze overenting van den Nederlandschen tak op Deenschen bodem te vormen. Weldadig doet het hierbij aan, de bewondering der Denen voor de daadkracht en ondernemingsgeest, de spaarzaamheid en voortdurende werkzaamheid, den handelsgeest en het economisch inzicht van deze zelfbewuste Nederlandsche volksplanters telkens opnieuw te kunnen vaststellen.

Zelfbewust: want reeds uit de betrekkelijk spaarzame gegevens der eerste tijden van hun vestiging blijkt, dat, hoe moeilijk deze Westfriezen het de eerste tientallen van jaren ook moeten hebben gehad, zij zich toch reeds beschouwden als de heeren van het land, op grond van de rechten hun door Christiaan II verleend. Evenmin als de Hollandsche boeren in de 19de eeuw in het Middenwesten der Vereenigde Staten *) lieten zij zich de kaas van het brood eten. Zij kwamen krachtig voor hun verkregen rechten op, des te krachtiger naarmate zij hun kerspel, hun Sogn, tot grooter bloei brachten en zichzelf niet alleen tot grooter welvaart, maar vooral ook tot onmisbare leveranciers van levensmiddelen, niet slechts voor het hof, maar voor heel het opkomende Kopenhagen: „een eeuwig voordeel" voor deze stad „tot op dezen dag" schreef in 1652 de geschiedschrijver Huitfeldt, die overigens den Hollanders minder gezind was.

Haasten wij ons hieraan toe te voegen, dat de Deensche koningen, overtuigd van de beteekenis dezer bekwame landbouwers — die tevens groentekweekers, visschers en handelslieden waren — voor de economische ontwikkeling van hun volk, tot op den huidigen dag met groote

1) Vergelijk bv. de Nederlandsche boeren, die in Sioux County, Iowa, U.S.A. het bestuur voor zich opeischten en eigenmachtig de regeering naar Oranjestad verplaatsten. J. v. Hinte, Nederlanders in Amerika II, Groningen 1928, blz. 27 e.v.