is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*533—'36, gedurende welke Drag0r vernietigd werd en o. a. de Hollandsche geestelijke uit Store Magleby werd weggevoerd — de Hollanders trachtten Christiaan II op den troon te herstellen — verzwaarden het bestaan. Daarna vooral ook de godsdiensttwisten, die leidden tot de invoering van de Luthersche leer, welke ook door onze daar blijkbaar rijp voor zijnde kolonisten werd aanvaard 1).

Daartegenover stond echter de rijke, vruchtbare bodem, die steeds meer opbracht, naarmate hij beter bewerkt werd. En dat werd hij. Tegenover het extensieve bedrijf der Denen, die rekenden met Ottinger viermaal zoo groot als de Fjerdinger, de „farendeele" (vierendeelen) der kolonisten, stelden deze hun intensief kleinbedrijf. Steeds zorgvuldiger bewerkten de onzen hun grond, ook naarmate de families grooter werden en steeds meer personen van dezen grond moesten bestaan. In tegenstelling met het Deensche land, op hetwelk men nog lang het drieslagstelsel toepaste, was er bij de Hollanders al spoedig van het braak liggen der bouwgronden geen sprake meer. Een goede bemesting maakte dat overbodig. Steeds meer groenten werden verbouwd, steeds grooter werd de verscheidenheid, naarmate de vraag en daarmede de afzetmogelijkheden in het nabije Kopenhagen, dat vooral in de 17de eeuw tot bloei kwam, grooter werden.

De Amagermarkt in Kopenhagen, die vroeger ook voor den verkoop van visch diende, werd sedert de komst der onzen steeds meer uitsluitend als groentenmarkt gebruikt: wortelen en rapen, peulvruchten, allerlei soorten kool boden de onzen er ten verkoop aan. Zij vonden er griffe koopers en behaalden er de hoogste prijzen.

Ook naar hun zuivelproducten was hier groote vraag. Vooral boter, maar ook kaas, room, melk, karnemelk werden hier gemarkt, later ook huis aan huis verkocht, o. a. door de vermaard geworden te paard zittende „roomhuzaren"!

Een en ander wijst op een belangrijke veeteelt. Toch gaf men aan land- en tuinbouw, die relatief meer opbrachten, de voorkeur. Vandaar dat te Store Magleby zelf het weideland steeds meer in bouw- en tuinland werd omgezet. Ook voor de granen toch, het koren, „dat hier in alle soorten in den grootsten overvloed groeit en dichter op den akker staat dan in eenig ander Deensch land, daarbij zeer hoog en met goed gevulde aren," zoo schreef de ooggetuige Pontoppidan vol bewondering in zijn Kort Verslag (1747)» werden flinke prijzen gemaakt.

Was dus om het dorp het weidegebied beperkt, toch was de veestapel zeer groot. Een deel van het vee werd namelijk gevoerd met de spoeling, die men op de marktdagen als retourvracht uit de Kopenhaagsche bierbrouwerijen medebracht. Een groot deel werd ook gedreven naar de lagere aan of nabij de zee gelegen en zeer grasrijke meentgronden. Bovendien werd jaarlijks elk voorjaar een groot deel van het vee in schuiten (Skojter) overgevoerd naar het eveneens zeer

1) Een Nederlandsch predikant, Worm of Vermodsen geheeten en uit Amsterdam afkomstig, speelde hierbij een rol en werd de eerste protestantsche bisschop van het tegenover Amager gelegen en toen nog Deensche Lund.