is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een eeuw later woonden omgekeerd koning Christiaan VII en koningin Caroline Mathilde met gevolg, waaronder graaf Struensee, de vastenfeesten te Hollsenderby bij (1770) 1). Zoowel het eerder genoemde ton steken, waarbij een zeer groote rijvaardigheid werd getoond, als de volksdansen wekten de belangstelling. Zoo zelfs, dat in 1772 24 paar mannen en vrouwen werden uitgenoodigd aan het Hof hun dansen uit te voeren, o. a. hun befaamden eierdans, welken dans wij kennen van Pieter Aertsz' beroemd schilderij in het Rijksmuseum 2).

Deze vorstengunst hechtte de Hollanders aan hun koning, maar maakte hen bovendien meer zelfbewust. Zij waren heerenboeren. Een uitzonderlijke groep, die rustig en vol vertrouwen haar weg ging. Rustig zelfs in het verkeer met het Hof. Pontoppidan, die hen persoonlijk kende, verklaarde, dat zij zoowel in hun spreken als in hun optreden een zekere deftigheid toonden, ook tegenover de zeer aanzienlijken.

Van aansluiting' bij hun Deensche buren wilden zij de eerste eeuwen niet weten. Daarvoor verschilden zij te veel. Zij achtten zich zoowel materieel als geestelijk een hoogere klasse. Een huwelijk met een Deen of Deensche werd dan ook uit den booze beschouwd : men huwde dan wel zeer beneden zijn stand! Zoo groot was zelfs het vooroordeel, dat een dergelijk huwelijk tot uitsluiting leidde. De betrokkenen moesten zich dan maar te midden der Denen gaan vestigen, hetzij op het land, hetzij in de plaatsjes Sundby of Dragor. Vooral het laatste meer nabije visschersplaatsje werd aldus door vele uitgestootenen bevolkt.

Ook werd het vreemden niet toegestaan land in of nabij Hollsenderby te koopen. Verkregen zij hier toch vaste goederen door huwelijk of erfenis, dan zouden deze toch op den duur weer aan Hollanders moeten worden verkocht.

Pontoppidan en Nicolaisen zien in dit streven geheel op zichzelf te blijven, in dit handhaven van eigen bestuur en rechtspraak, zeden en gewoonten, vooral een uiting van den wensch daardoor des te langer de zoo kostbare privilegiën te handhaven, welke toch ook een zoo voorname oorzaak van hun ongewone welvaart zijn geweest, naast de ontwikkeling van een wel zeer bijzondere energie. Een energie, welke verklaarbaar is door de groote vitaliteit, maar ook door het bijzondere milieu. Vestiging te midden van totaal vreemden keert als het ware naar binnen, leidt tot concentratie op eigen arbeid, minder afleiding toch als men aanvankelijk heeft. Bij de Nederlanders in Amerika kan men hetzelfde verschijnsel constateeren, al speelde daar dikwijls ook de wensch den eigen godsdienst te handhaven nog een groote

1) Dirch Jansen, Fastelavn in Hollaenderbyen. Amager-Musaeet K0benhavn, 1922, blz. 65 e.v.

2) Volgens Dirch Jansen kwam deze dans nog omstreeks 1850 in het Holiandersdorp voor. Gerdt Bacher was toentertijd een vermaard eierdanser. (Aarbog... 1925).