is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begrafenis in 1851, waarbij een 60-tal vrouwen, die twee aan twee direct achter de baar volgden, terwijl de mannen den stoet sloten, deze Job droegen1).

Meerman ontmoette eenige bejaarde aldus gekleede vrouwen. Zij lieten hun jak van achteren „omtrent als de pronkende wieken van een kalkoenschen haan, omkrullen met twee verschillende couleuren, bv. wit en rood" 2). De vrouwen droegen toen (1797) nog korte rokken, naar de markt gaande donkerbruine jakken, een bonten neusdoekom den hals en een hooge kap op het hoofd.

Wat den hoofdtooi betreft, toonde zich ook hier eeuwen lang de voorliefde der Nederlandsche vrouwen voor het hagelwitte linnen in het dragen van een wit kapje waar over een witte muts, waarschijnlijk een herinnering nog aan het voor Nederland zoo karakteristieke witte ondermutsje, waarover een linnen hoofddoek van onze vrouwen in de 16de eeuw en uit de 15de eeuw afkomstig 3). Juist in JYIeerman's tijd werd echter de witte muts door de blauwe verdrongen. Niet dat het witte linnen of dundoek verdween. Men bekijke slechts de fraaie afbeeldingen in kleuren in Elna Mygdal's prachtwerk over de kleederdrachten op Amager. Hagelwit blijken er de schorten der keukenmeisjes te zijn!

Verscheidenheid heerschte er ook in de kleeding der kinderen, al naar den leeftijd.

Betrekkelijk eenvoudig was de kleedij der mannen. Zwart en bruin overheerschten hierbij. Het wonderlijke ronde uit filt bestaande met blauw kameelhaar overtrokken hoofddeksel werd in de 19de eeuw door een soort van hoogen hoed vervangen. Herinnerde de 17de en 18de eeuwsche kleedij aan die der Markers, die der 19 de eeuw doet aan die der Urkers denken. Een keurig paar schoenen hoorde bij de zwarte Zondagsche kleedij. Zij werden versierd met „ronde kwastjes, uit een koper pennetje uitbottende", aldus Meerman. De mannen droegen het haar rond en kort afgesneden. In tegenstelling met de vrouwen droegen zij weinig of geen sieraden, soms onze „Zeeuwsche" knoopen.

De vrouwen daarentegen droegen kostbare spelden en gespen. Aan de gespen op de borst werden door de meisjes hun naamletters gedragen, veelal een viertal: de eerste letter van den eigen voornaam, die van den voor- en achternaam van den vader en een D (Datter of dochter). Dit laatste was een gewoonte medegenomen uit het Oude Land. Zij is den laatsten tijd te onzent opnieuw in gebruik genomen, zij het ook gewijzigd.

1) Dirch Jansen, Ligbegaeengelse i Hollaenderbyen i Aarene omkring 1840— 1880 in Et Hollaenderminde, blz. XI. Ondanks verschillen zie ik toch eenige verwantschap tusschen deze Job en de faldettas, welke ik de vrouwen op het eiland Malta zag dragen. — Ten onzent sloegen de Jordaanvrouwen veelal den bovenrok over het hoofd bij slecht weer gelijk de Amager-vrouwen hun schorten.

2) Mr. J. Meerman, Eenige Berichten..., blz. 308. Vgl. foto 9.

3) J' H. Der Kinderen-Besier, Mode-Metamorphosen. De kleedij onzer voorouders in de ióde eeuw. Amsterdam 1933, blz. 108.