is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laatste kwart der 19de eeuw en gedurende de 20ste eeuw verloor het steeds meer het typisch eigene. De aanleg van een spoorlijntje van Kopenhagen over Store Magleby naar Drag0r in 1905 droeg daartoe bij. Het lijntje, 12 km lang, bevorderde de economische ontwikkeling van het eiland. Het bracht menigeen er toe aanvankelijk alleen 's zomers, later permanent, verblijf te houden in Dragor, dat zich na het verplaatsen van het scheepvaartbedrijf meer en meer tot een badplaats van beteekenis heeft ontwikkeld. Het oude, dichtbebouwde maar heldere havenplaatsje is thans door een kring van villa's en eenige badhotels omgeven.

Een nieuw zee- en tuindorp S0vang is meer zuidelijk ontstaan.

1 hans zijn alle dorpjes door een net van autobuslijnen met Kopenhagen verbonden, van welke lijnen — naar ik meermalen opmerkte — een zeer druk gebruik wordt gemaakt. De landelijke rust is dan ook op het eiland, althans 's zomers en vooral te Store Magleby, verdwenen. Bussen ,auto's en fietsen nemen thans de zeer gemoderniseerde en geasfalteerde wegen in beslag, waar vroeger alleen de tuinderswagens op weg naar of van de markt reden. Zij maken vooral het Hollandsche dorp, dat op de splitsing ligt van den hoofdweg naar Dragor en het mooie bosch, Kongelunden, onveilig.

Ook de ontwikkeling van het vliegwezen met het vliegveld te Kastrup als centrum, heeft groote veranderingen gebracht. Een zeer druk verkeer met de hoofdstad des lands, de aanleg van zeer moderne, breede verkeerswegen enz. was hiervan het gevolg. Steeds meer breidt de stad Kopenhagen zich over het eiland uit. De oude Sundby-dorpen zijn feitelijk geheel verdwenen en uit de moderne voorstad van Kopenhagen niet meer te herkennen. Thans worden tal van nieuwe woonwijken in de richting van Kastrup aangelegd. Ook het nu nog landelijke Taarnby wordt steeds meer bedreigd en door den Kopenhagenschen magneet aangetrokken. Ook hier is het echt dorpsche, het landelijke aan het verdwijnen.

Onze stamgenooten — nog steeds als Hollanders aangeduid — gaan intusschen rustig met hun eeuwenouden arbeid voort. Nog steeds verbouwen zij er de kostelijke groenten en voorzien er Kopenhagen van. Export heeft zelfs plaats naar Zweden en Noorwegen, Finland, Tsjecho-Slowakije, Oostenrijk en Zwitserland. Vroeger ook naar Duitschland, waarheen door de beperkende bepalingen der Duitsche regeering de uitvoer nihil werd. Ook aan Amerika werd geleverd, eens zelfs, in Februari 1936, aan het tuindersland bij uitnemendheid, aan Denemarkens felste concurrent: aan Nederland, waar misoogst toen tot eenigen invoer dwong van witte en roode kool1).

Naast de groenten zijn thans ook de aardappelen van belang. Menigmaal ziet men er in het najaar in het zuidwestelijk deel van het eiland, dat zich voor deze cultuur het best leent, de rookkolommen opstijgen. Men tracht dan de nachtvorsten door verwarming te verdrijven. Thans heeft men ook naar Nederlandsch voorbeeld kassen

1) Brief P. W. v. d. Molen, Broek op Langendijk 28-9-'37. Zie verder De Telegraaf 21-2-'36.