is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schleiermacher. Beziehungen der Strömungslehre zur Geologie. 53 blz. Geologie u. Bauwesen, Weenen 1936.

Deze in druk verschenen, voor een gezelschap geologen gehouden lezing beoogt de voornaamste hydraulische wetten ook voor niet-hydraulici op heldere wijze uiteen te zetten. Zonder twijfel speelt het water een groote rol bij de bepaling der reliefvormen der aarde en heeft het zijn nut het grensgebied tusschen de water loopkunde en de geologie eens onder de loupe te nemen. Van de door schrijver, behandelde onderwerpen zijn te noemen : potentiaalstrooming in bochten, de invloed van de wet van Von Baer, de oorzaken der beweging van vaste stoffen, het middel om deze vaste stoffen in zij-armen af te voeren, deltavorming, enz. Uit den aard zijner functie aan het Waterbouwkundig Laboratorium te Karlsruhe is schrijver volkomen op de hoogte van de moderne zienswijze der hydraulica. Hij neemt daaruit het essentieele en brengt dit op bevattelijke wijze naar voren. J. van Veen

J. J. Ph. Beernink, Waterbouwkundige werken der oudheid in Nederland. 80 blz. 8 schetsen. Uitgevers-Maatschappij 2E. E. Kluwer, Deventer 1937. Prijs ƒ 1.50.

In dit boekje poogt de schrijver uit geografische en geologische gegevens eenige beginselen af te leiden, waarnaar de vroegste bewoners van ons land getracht zouden hebben den strijd tegen het water te voeren en daarmede zouden hebben meegewerkt aan de vorming in het bijzonder van het Hollandsche polderland. Hoewel het boekje ongetwijfeld belangwekkende beschouwingen bevat, valt het toch moeilijk verschillende conclusies van den schrijver, in het bijzonder wat betreft het ontstaan van de rivieren, te aanvaarden. De verschijnselen, die zich hierbij hebben voorgedaan, zijn, o.a. door de inwerking van eb en vloed, door de rijzing van den zeespiegel, door de verplaatsingen van zand en ander materiaal, zeer ingewikkeld en de gedachte dringt zich op, dat de schrijver in vele gevallen aan het ingrijpen van den mensch een te groote rol toeschrijft. Het gaat hier om processen, die zeer vele eeuwen geduurd hebben en waarin de natuur zelf telkens groote wijzigingen in het leven moet hebben geroepen met krachten, waartegenover de toen zoo beperkte hulpmiddelen van den mensch dikwijls machteloos stonden. Men bedenke slechts hoe de St. Elisabethsvloed in korten tijd het geheele aanzien van een groot gedeelte des lands kon wijzigen, om tot de veronderstelling te geraken dat ook in de vele voorafgaande eeuwen dergelijke gebeurtenissen, toen nog door geen geschiedschrijver te boek gesteld, haren invloed op het aanzien van het land gehad zullen hebben.

De schrijver erkent in zijn inleiding, dat zijn beschouwingen een eerste poging zijn en dat zeer veel onzeker blijft. Dit laatste blijft ook de hoofdindruk na de lezing van dit geschrift, dat echter als poging een woord van waardeering verdient.

f. l. schlingemann