is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

turen zijn ontstaan als gevolg van tektonische bewegingen. Helling en strekking zijn onafhankelijk van den jongeren graniet. De kwartsporiyr of lipariet is misschien ingedrongen in het Laat-Plioceen, evenals op Sumatra het geval is. Dit gesteente is in elk geval jonger dan de oudste graniet. Het wordt mogelijk geacht, dat de mineralisatie ook in het Plioceen plaats vond, zoodat derhalve de intrusie-periode van den iongen graniet in het Neogeen zou vallen. Gedurende het Mesozoicum en vermoedelijk ook reeds in het Palaeozoicum is het gebied van de eilanden volgens den schrijver aan denudatie onderhevig gewees . Voor het laatste gedeelte van de peneplainisatie-periode wordt een warm en droog klimaat aangenomen met weinig plantengroei en voornamelijk chemische verweering. Bij de intrusie van den jongen graniet volgde door opheffing een tweede erosie-periode, maar mogelijk was deze opheffing gering. Als verder optredende wijzigingen worden verlaging van den grondwaterspiegel en nog warmer klimaat ge noemd, zoodat dit in het Neogeen woestijnachtig werd. Argumenten worden hiervoor gegeven. Vervolgens is weer een regennj e peno e gekomen. Uit het Jong-Tertiair of uit het Pleistoceen zijn op Singkep houtresten bewaard gebleven, afkomstig van boomen, welke in de reeds zachte „bedrock" wortelden. Sommige reiken nog even in de er boven gelegen ertshoudende afzettingen. Volgens den schrijver behoort tot de overgangsperiode ook het ontstaan van de bauxie , ie op enkele eilanden der Riouwgroep wordt gevonden.

Zooals verwacht mag worden zijn de ertsafzettingen uitvoerig handeld Het primaire tinerts staat in genetisch verband met o-raniet Door pneumatolyse (werking van ontwijkende heete gassen fn gesteenten) werden kassiteriet, kwarts, wolframiet, toermalijn en - ondergeschikt - verschillende sulfiden gevormd; in de vo gende hydrothermale fase (met heet water) voornamelijk yzersulfide: . Pegmatieten en aplieten zijn ook bekend^ Een zonaire rangsc 1 g der ertsen, zooals in Bolivia wordt gevonden, is hier onbekend. Lood-, zink- en kopersulfiden komen hier en daar voor in groote gangen, arsenopyriet in de greisen van Tikoes, waar.ook topaas.s '

Verder zijn nog pyrrhotien en een weinig goud bekend. Achtereen volgens worden de ertsen in de aders en de resKU-ertsen^koeiten kaksa) besproken. Van deze residu-ertsen omvat de: koeht de• el«™le ertsen in de bovenste zones van het verweerde gesteente Het erts is hier zelden gelijkmatig verspreid. Als kaksa zijn de residu-erts

de valleien bekend. Erts wordt in de kaksa gewoonhjk direct boven

het onder liggende vaste gesteente gevonden. De kaksa^zelf bestaa uit zand en klei. Men vindt daarin houtresten en ook de bekende: bil tonieten. Boven de kaksa wordt soms in jongere alluvia ook nogert gevonden, zoogenaamd mentjangerts. Over het ontstaan van kaksa^e koelit is reeds veel geschreven en de meeningen hieromtrent liepen nog al uiteen Na vefkend te zijn wordt het erts uit de kaksa gewonnen in kollongs, open groeven. hesnroken

In het tweede gedeelte wordt de oorsprong van de kaks^ besPr0^ en eveneens de jongere deklagen met de zee-ertsen en de gevolgen