is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bv. tusschen het Singgi- en Donggogebergte (het plateau Toeta Rasa) en bij Parado (op ± 250 m hoogte). J. Elbert ziet in deze hoogvlakten resten van abrasie-vlakten, die, indien ze op grootere hoogte liggen (te beginnen bij ± 250 m), door dalvorming reeds sterk verbrokkeld zijn, maar die nog duidelijk door de afzettingen van leem, zand en rolsteenen hun ligging aan een voormalige kust aantoonen. Met afzettingen van koraalkalk bedekte terrassen zijn verder aan de tegenwoordige kust waar te nemen (Lit. 6, II, p. 167).

Het ligt voor de hand, dat de inheemsche bevolking van de onderafdeeling, toen zij met den natten sawahbouw bekend raakte1), in de eerste plaats daarvoor de breede valleien, die in het verlengde der baaien liggen, in gebruik nam. Ook sommige goed bevloeibare hoogvlakten waren uitnemend voor het uitoefenen van dit landbouwstelsel geschikt. Daar vinden we thans de meeste sawah's en daar is ook het grootste deel van de inheemsche bevolking geconcentreerd. Minder uitgestrekt zijn, gelijk op de kaart is te zien, de sawah's aan de kust. De in de eerste helft der 19de eeuw nog heerschende onveiligheid kan hiervan gedeeltelijk de oorzaak zijn; verder is de omstandigheid, dat de kustbevolking ten deele uit vreemdelingen (vooral Boegineezen) bestaat, hieraan niet vreemd.

Evenals in West-Soembawa zullen namelijk ook in Bima in de 19de eeuw de Rijksgrooten niet zelden den vreemdelingen hun bouwvelden hebben afgenomen op grond van de stelling, dat niet-Bimaneezen geen rechten op den grond kunnen bezitten (Lit. 20, p. iro). Een klein deel der kustbevolking (de Orang Badjo) oefent verder als regel geen landbouw uit, maar vindt zijn bestaan in de visscherij.

Dank zij de invoering van het landrentestelsel is thans het oppervlak van de landrenteplichtige sawah's in de onderafdeeling bekend. Het is waarschijnlijk, dat niet alle sawah's landrenteplichtig zijn ; ook op Java is dit het geval. In 1933 bevonden zich op Java en Madoera 3 057282 ha landrenteplichtige sawah's 2), terwijl in de tabel van de „oppervlakte der bouwgronden van de inlandsche bevolking" het Statistisch Jaaroverzicht van 1933 3 298 569 ha sawah opgeeft 3).

Op Java en Madoera zou dus in het genoemde jaar het sawahoppervlak 8 % grooter zijn geweest dan het landrenteplichtige sawahareaal. Een gelijke berekening voor Bima uit te voeren is niet mogelijk, al onze gegevens hebben betrekking op de landrenteplichtige sawah's. In 1926 bedroeg het oppervlak van de genoemde bouwgronden'in het landschap Bima 17 870 ha, in het landschap Dompo 3 722 ha en in het toen nog bestaande sultanaat Sanggar 186 ha4). Het landschap Bima werd verdeeld in vier belastingkringen, waar in de toe-

1) Vermoedelijk is deze door vreemdelingen, die onder invloed der HindoeJavaansche cultuur stonden, ingevoerd. Zie uitvoeriger hierover Lit. 20, p 131—

132.

2) Statistisch Jaaroverzicht van Ned. Indië over het jaar 1933, p. 209; 3) idem p. 225.

4) Jaarverslag van den Dienst der Landelijke Inkomsten over 1925, 1926 en 1927 (één deel), p. 102.*