is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aandienen, was de knokkelgroet. In de Swartvallei toch reikte men elkaar de knokkels, waarbij de gebogen wijsvinger van den een tusschen twee gebogen vingers van den ander werd gevat; daarna trok men de knokkels met een knappend geluid uit elkaar. Deze groet bleek bij de Kapaukoe's niet alledaagsch, maar ter dege bekend. Toen ik ter begroeting de knokkels reikte, werden deze niet zonder verbazing aanvaard, waarna de groet op de bovengeschilderde wijze werd voltrokken. Men ziet, dat er toch wel gereede aanleiding voor de Mannekoe bestond, om ons niet als vreemdelingen te beschouwen!

Ten slotte nog iets over de peniskalebas. Deze is bij het bergvolk in Australisch Nieuw-Guinea niet algemeen in gebruik. Ze was dit bij de door ons ontdekte Kapaukoe's slechts ten deele. Bij de Tapirodwergen, de Tiri, de Rwarö en de Mannekoe was ze algemeen. Maar voor het overige zag men deze karakteristieke bergpapoea-mode afgewisseld met een andere dracht. Deze bestond uit een miniatuur van touw gevlochten lapje, aan den onderrand voorzien van een snavelvormig puntje, welk lapje met een touwtje tegen den penis gedrukt en om het scrotum vastgebonden werd. Deze dracht was de eenig aanwezige bij de in den aanvang van dit artikel genoemde Oemar-Kapaukoe s en dat doet denken aan een soortgelijke dracht bij de Jabi's. Het huis der eersten was van hetzelfde model als de huizen van Pania en pater I illemans had er in 1932 na zijn bezoek aan de Kapaukoe's achter Oemar en Porogo reeds opmerkzaam op gemaakt, dat dit woningtype overeenkwam met het voor het Jabi-land geteekende. Van de Jabi s zijn mij geen anthropologische gegevens bekend; slechts worden zij als betrekkelijk klein beschreven. De Oemar-Kapaukoe's stonden met een lengte van 161.2 cm en een schedelindex van 75 tusschen de kustpapoea's en de echte Kapaukoe's in. Ik meen hen als een kruisingsproduct tusschen deze beide te mogen aanmerken, iets, wat ook door hun woonplaats waarschijnlijk is. Voor de Jabi's geldt wellicht hetzelfde. Onze Ewaró, hun naaste buren, droegen wel allen peniskokers maar waren tamelijk groot en eenigen van hen hadden een verdacht lagen schedelindex. Hier in het uiterste Westen van den romp van Nieuw-Guinea meen ik dan ook, dat bloedsmenging tusschen kusten bergvolk voorkomt; voor Pania en Tapiro-land mag deze echter reeds nauwelijks van beteekenis worden geacht.

De kennismaking met Kapaukoe's en Mannekoe was van aangenamen aard. De laatsten beschouwden haar als een ernstige aangelegenheid ; niettemin hebben zij ons vertrouwd. Ik kan niet nalaten dit kameraadschappelijk vertrouwen als een verplichting te voelen, welke vaeelijk drukt. Wat doet Nederland met deze, zijn allereenvoudigste maar toch waardige onderdanen?