is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kaap-gebergten vormend. Het is bekend hoe zelfs Wegener dat wel wat kras vond, want tegenwoordig liggen de Falkland-eilanden niet alleen een twaalftal breedtegraden zuidelijker maar ze liggen op het Zuidamerikaansche plat (zie dit tijdschrift 1937, pag. 523—524). Du Toit handhaaft zijn standpunt en tracht het te verdedigen. Het spreekt vanzelf, dat hij daarbij ook moet overgaan tot speculatieve beschouwingen over de samenstelling en de ontstaanswijze van het vastelandsplat in het algemeen.

De samengeschoven schollen van het zuidelijk halfrond beschouwende, legt Du Toit bijzonderen nadruk op de overeenkomst in geologische geschiedenis van Zuid-Amerika, Zuid-Afrika en Australië en hij komt tot de reconstructie van een enorme zwakboogvormige palaeozoïsche geosynclinaal, welke hij meent te kunnen vervolgen van Bolivia, Noord- en Centraal-Argentinië, de Kaap-gebergten, de Weddell-zee, oost van King Edward VII land, door Edsel Ford land, Tasmanie, het oostelijk deel van Australië naar Nieuw-Guinea. Hij noemt dit de Samfrau-geosynclinaal, een naam die samengesteld is uit „South-America — South-Africa — Australia".

Ook voor de schollen van het noordelijk halfrond stelt Du Toit wijzigingen in Wegener's schema voor. Niet alleen, dat de schollen met veel grooter tusschenruimte bijeen gedacht worden, maar ook wil hij —om slechts twee voorbeelden te noemen — het Iberische schiereiland gedurende het Tertiair een beweging tegen de wijzers van de klok in laten maken en acht hij het niet onwaarschijnlijk, dat de Britsche eilanden een analoge, ofschoon zwakkere zwenking hebben doorgemaakt. Het zou buiten het bestek van deze aankondiging en zéér korte bespreking gaan om een overzicht te geven van alle hoofdstukken en hun gevarieerden inhoud, laat staan ze critisch te bespreken! Dit mag slechts gezegd worden, dat nog nimmer iemand met zoo veel overtuiging en op een zoo uitvoerige wijze een pleidooi vóór continent-verschuiving als leidend beginsel bij een geologische interpretatie van onze planeet gehouden heeft als Du Toit. Juist het feit dat hij daarbij Wegener's hypothese in een geheel nieuw kleed gehuld heeft, maakt zijn boek belangwekkend en het zal niet te verwonderen zijn, indien het aanleiding geeft tot een herleving der discussie pro- en contraverschuivingshypothese in geologische literatuur. Want terwijl hij eenerzijds tegemoet komt aan menig bezwaar, dat Wegener's tegenstanders naar voren brachten, is het vanzelfsprekend, dat er ook tal van nieuwe moeilijkheden aan Du Toit's „pangaea-hypothese" verbonden zijn.

Umbgrove.

Hints to travellers, Deel I, 1935 met 448 blz., talrijke afbeeldingen en kaarten, prijs 16 sh.; Deel II, 1938 met 472 blz. en eenige afbeeldingen, prijs 14 sh. Royal Geographical Society, Kensington Gore, London, S.W. 7-