is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het kan verwondering wekken, dat de Maas tusschen Heusden en Hedikhuizen niet zijn ouden loop hernam naar het Bergsche Veld *).

Hoewel bij hooge waterstanden zich meermalen water ontlastte naar de Donge en den Biesbosch en men diverse plannen maakte tot aftapping van het opperwater in deze richting, heeft men toch de logische oplossing niet aanvaard. In de 17de en 18de eeuw werd de toestand langs Maas, Waal en Merwede steeds kritieken Na terzijdestelling van de plannen tot het graven van een kanaal naar de Donge bezuiden de Langstraat, het maken van een overlaat door het Land van Altena naar den Biesbosch en het inrichten van een overlaat bij Hedikhuizen naar het Oude Maasje, werd ten slotte in 1766 een plan uitgevoerd afkomstig van Martinus van Barneveld, burgemeester van Gorkum, waarbij de Baardwijksche overlaat, op Hollandsch gebied, werd gevormd. Dit is te beschouwen als de eerste stap in de goede richting.

In de 19de eeuw brachten de verschillende riviercommissies steeds weer nieuwe plannen tot verbetering der benedenrivieren. Voor zoover dit de Maas betrof, leidde dit ten slotte tot de wet van 26 Januari 1883, waarbij de volledige scheiding van Maas en Waal was voorzien door: a. verlegging van den Maasmond en b. geleidelijke sluiting van de Heerenwaardensche overlaten. Sedert 1904 komt het Maaswater in het zuidelijk deel van het Bergsche Veld terecht en beïnvloedt dit de afwatering van alle gebieden rondom den Amer. Versnelling van den afvoer van de Maas zal zich doen gevoelen in de waterloozing van deze gebieden. De afwateringsproblemen van de streken om den Amer zijn daardoor mede geworden tot een Maasprobleem, dat na de uitgevoerde werken boven Heusden thans dringend om oplossing vraagt.

Het zou echter geheel onjuist zijn de oplossing der vraagstukken, die hieronder behandeld worden, alleen in dit licht te bezien. Immers de Biesbosch ligt in de grenszone tusschen onze bovenrivieren en de getijdestroomen. Na 1421 deden in de toen ontstane binnenzee machtige vloedstroomen hun invloed gelden. Hollandsch diep en Amer werden gevormd en gedroegen zich weldra als volwaardige zeegaten. Aanvankelijk vond afslag en uitschuring van het veen plaats; naarmate de toegangen uit zee nauwer werden, begon de sedimentatie de overhand te krijgen, eerst zand, daarna slib. Inmiddels waren de bewoners der omliggende landen begonnen zich te beveiligen. Hun landen waren in 1421 mede geïnundeerd, doch weer drooggekomen. Het aanleggen der nieuwe dijken om de herhaalde overstroomingen te weren begon het eerst aan de zuid- en oostzijde. Korten tijd na 1421 ving het herstel der dijken aan in de Langstraat-dorpen, die tot en met Vlijmen overstroomd waren. De nieuwe waterkeerende dijk, die in 1465 voltooid werd, kwam één km verder naar het Zuiden te liggen dan de oorspronkelijke. In 1446 werd ook reeds bij Zeven-

1) Zie J. C. Ramaer, Geogr. Gesch. van Holland bezuiden Lek en N. Maas in de Middeleeuwen, blz. 238.