is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarin Bataven, uit Ulpia Noviomagus, genoemd worden, bv. Byvanck *) E. R. II no 1332: „Titus Flavius Romanus Ulpia Noviomagi Bataus." Alleen belangrijke plaatsen worden als origo dat is als geboorteplaats genoemd. Er is slechts één nederzetting, die dien naam gedragen kan hebben. Dat is de aanzienlijke stad, die onmiddellijk ten westen van de huidige (oude) stad Nijmegen lag; zij was de hoofdstad der civitas Batavorum. Het is hoogst onwaarschijnlijk, dat deze plaats, die een nieuwe nederzetting was, gesticht in den tijd van de Idavische keizers, ooit een anderen naam heeft gedragen. Dat deze naam, zooals de heer Kroon wil, „verhuisd" zou zijn van een zuidelijker gelegen plaats naar de stad aan de Waal is een ongerijmdheid, waarvoor ik geen parallel zou kunnen aanwijzen (en de heer Kroon alleen een hypothetische!) ; evenmin ken ik een parallel voor een station van de Tabula, dat genoemd zou zijn naar een plaats, die maar liefst 12 km noordelijker lag! Men eischt wel wat erg veel van zijn lezers, wanneer men verlangt, dat zij waarde zullen hechten aan zoo'n zonderlinge veronderstelling. Het is volkomen ongemotiveerd het station Noviomagi „ergens 12 km ten zuiden van Nijmegen" te plaatsen. Het eenige argument van den heer Kroon, dat dien naam verdient, is het getal III tusschen Noviomagi en Ceuclum. Ik ben er evenzeer als hij van overtuigd dat Ceuclum Kuik is. Maar als ik aan het zeker foutieve cijfer III wilde vasthouden, zou ik toch maar liever Kuik, waarvan we door de opgravingen van 1937 2) eindelijk eenigermate een voorstelling beginnen te krijgen, laten verhuizen, dan Nijmegen, waarvan de Romeinsche geschiedenis, wat de belangrijkste punten betreft, vrij goed bekend is. De afstand Nijmegen—Kuik is ruim 13 km of VI leugae. De verschrijving of verlezing van II voor V, III voor VI, IIII voor VII (het cijfer 4 wordt op de Tabula nooit IV geschreven) en omgekeerd, is een veelvuldig voorkomend en palaeografisch zeer eenvoudig te verklaren, men zou haast zeggen normaal, verschijnsel, zoodat men de eenvoudige verbetering van III in VI zonder aarzelen als de eenig juiste lezing aanvaarden kan, als de feiten, zooals hier het geval is, haar verlangen.

Het tweede vaste punt is Fletione—Vechten. Gelooft de heer Schoo nu werkelijk aan het bestaan van een Fectio naast een Fletio ? Dat is toch een zich angstig vastklampen aan de hier zeker corrupte overlevering, die niet te verdedigen is en bovendien zoo gemakkelijk te verbeteren. De Anonymus Ravennas, een onbekende schrijver uit het laatst der 7de eeuw, schreef voor zijn Cosmographia een dergelijke kaart als de Tabula Peutingeriana af 3). Hij vermeldt het Fletione der

veld op den Hunerberg te Nijmegen, Diss. Nijmegen 1932; H. Brunsting Het grafveld onder Hees bij Nijmegen, een bijdrage tot de kennis van Ulpia .Noviomagus, diss. Amsterdam 1937.

r) A. W. Byvanck, Excerpta Romana II. Inscripties. De geciteerde inscriptie werd gevonden te Pfünz, in de oude provincie Rhaetia. Vgl. nog de nos 13.31, 1333 1337 en 1362, alle te Rome gevonden

SchavkandelSblad Va" Z°ndag 17 0ct I937' 3de b,ad' Opgravingen bij Cuyk en

3) Vgl. vooral H. G r o s z, Zur Entstehungsgeschichte der Tabula PeutingeK. N. A. G., LV. 45