is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stelling tot de Andes-brug, die uit een ketengebergte bestaat, dat zich vrijwel continue over een geheelen meridiaan uitstrekt, bestaat de Soenda-brug uit een aantal eilanden, die slechts hier en daar tamelijk geïsoleerde bergen bezitten. Als wij de verspreiding nader bezien, blijkt dat P. prolifera behoort tot een sectie van het geslacht, de zoogenaamde candelaber-Primula's (sectie Candelabra), waarvan 25 soorten in ZO. Azië voorkomen. Eén daarvan is P. prolifera, die bekend is van Noord-Burma (Khasia mountains) en die voorts is gevonden in Atjeh, Midden-Sumatra (Kerintji, Masoerai), West-Java (Pangrango, Papandajan) en Oost-Java (Jang). Alle vindplaatsen zijn boven 2000 m hoogte gelegen en zijn, hoewel ver van elkaar verwijderd, toch tamelijk wel in een mooie reeks gerangschikt; een boog, die zich van Achter-Indië uitstrekt, via Sumatra, naar Oost-Java.

Hoe is ze op Sumatra en Java gekomen? Een probleem stellen en het oplossen zijn in de biologie twee verschillende zaken. En dezelfde vraag kan men stellen voor het voorkomen van tal van (enkele honderden) andere planten, zooals Anemone, Valeriana, Viola, enz. enz., die mutatis mutandis hetzelfde type verspreidingsgebied vertoon en als Primula; in Nederlandsch Indië eigenlijk niet thuis hooren, doch kennelijk zijn gemigreerd vanaf het ZO. Aziatische vasteland. Men kan spreken van een verspreidingsbaan, die zich als een tongvormige uitlooper van ZO. Azië via het Maleische schiereiland, Sumatra en Java tot op Timor laat vervolgen. Deze baan is een „invasie-strook" van koudelievende planten binnen de tropische zone. Ik heb haar genoemd de Sumatra-baan.

Langs deze baan hebben verscheidene „Himalaya-elementen" zich verspreid, doch men dient zich wèl goed voor oogen te stellen, dat het slechts aan weinige planten gelukt is, zich binnen de tropenzone uit te breiden. Als men denkt aan de enorme aantallen soorten, die geslachten als Primula, Androsace, Pedicularis, Gentiana, Valeriana, Ranunculus, Anemone, Thalictrum, Delphinium, Corydalis, Swertia, enz. enz. in de Himalaya-flora bezitten, dan maken de Nederlandsch Indische representanten slechts een pooveren indruk. Dit doet echter niets af aan het belang, dat deze Indische vertegenwoordigers voor de plantengeografie hébben. Ook Ceylon is door sommige biogeografen wel eens in verband gebracht met Sumatra. Inderdaad bezit Ceylon aan bergplanten enkele vormen, die indentiek of na verwant zijn met Maleische, maar deze komen dan steeds ook voor in den Himalaya. Aan den anderen kant bezit Ceylon vele typen, die in Nederlandsch Indië niet bekend zijn. Hieruit valt te besluiten, dat Ceylon via de Ghats en Nilgherries het eindstation van een aparte uitstraling vormt. Zoowel deze Voor-Indische baan als de Sumatra-baan wortelen in de moederloog der Himalaya-flora.

Andere koudelievende planten van Nederlandsch Indië kan men rangschikken volgens een invasie-strook, die wortelt in den Himalaya, China en Japan, en die men vervolgen kan over Formosa en de Philippijnen, soms tot in Centraal- en (hoewel zwak) tot in Zuid-Celebes; dit is de Formosa-Luzon-baan.