is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doch blijven zitten, zoodat het geheel een massieven halven bol vormt. Iedere polster blijkt in den grond een bijna polsdikken wortel(stok) te bezitten, die een, naar verhouding enorme lengte bereikt. Tusschen de bladeren komen juist de kleine wittige of iets rood of blauwachtigpaars aangeloopen bloemen te voorschijn. Merkwaardig is de wijze, waarop de plant afsterft. Ze mummificeert en valt uiteen in een grijsachtig, structuurloos poeder. Het eerst de bladeren, waardoor 'de takken als een geraamte bloot komen; ze liggen dan te midden van het grijze poeder als een dierlijk skelet. Men wrijft de restanten tusschen duim en wijsvinger gemakkelijk fijn. De doorsnede van zoon afgestorven polster bedraagt soms bijna één meter. Men zou denken, dat zoo'n plek wel humusrijk zou zijn en dus extra vruchtbaar. Maar het tegendeel is waar. Ik heb nergens eenige vegetatie kunnen vinden op de skeletten van dezen botanischen doodenakker, ze schijnen volkomen steriel te zijn. Is het wellicht een soort zelfvergiftiging? Slechts van enkele andere planten op Java is mij een dergelijke mummificeering bekend. Daar vertoonen enkele grassen en met name Festuca nubigena en Pennisetum compressum diezelfde loodgrijze tint en een analoge structuurverandering. Het is niet onwaarschijnlijk, dat tengevolge van vorst op goed gedraineerden bodem deze mummificatie plaats heeft.

Iets analoogs vertoonen andere polsters: ze vormen typische ringen, die principieel niet verschillen van heksenringen bij paddenstoelen (zie boven blz. 759). Ik nam dit waar bij de genoemde Oldenlandia aff. verticillaris, Oreobolus, Monostachya, Centrolepis en Eriocaulon. Het gedeelte binnen den ring blijft eveneens steriel. De eerste mededeeling over dit verschijnsel, dat ik niet uit de literatuur ken, beschreef ik in 1935 van den Papandajan.

Het weer was zoo fraai, dat ik pas in het kamp terugkwam, beladen met botanische schatten, waaronder zeer vele „Himalaya'-planten, terwijl verschillende van de andere wel op Java, doch tot nu toe nog nooit op Sumatra werden gevonden. In zekeren zin viel het geheel mij echter tegen, wat rijkdom betreft: ik had gehoopt o.a. te zullen vinden Pedicularis, Campanula, Cotoneaster, Pinguicula, Betula, Alnus, Lorylus, Carpinus, Coniferen, Euphrasia, Parnassia, Aconitum, Podophyllum, Valeriana, Delphinium, alle geslachten die in den Himalaya een rijke ontwikkeling vertoonen, doch alleen de verwachting omtrent Swertia, Parnassia, Gentiana en Carex is in vervullmg gegaan. Ook bijzondere coniferen had ik gehoopt aan te zullen treffen. Deze vormen immers in den Himalaya boven de loofwoudzone een geheele plantengordel. Doch slechts vier coniferen groeien op deze hoogte, van welke drie niets bijzonders beteekenen, namelijk Dacrydium elatum, Podocarpus neriifolia en Podocarpus imbricata. De vierde is een interessante en naar het mij toeschijnt een Dacrydium-soort. Het is een „treurende" boom of heester, die soms plat tegen den bodem aangedrukt ligt; een groote kruinhoogte bereikt ze nergens (zie foto no. 6). Deze is in ieder geval nieuw voor Sumatra. Men zou allicht geneigd zijn te veronderstellen, dat het ontbreken