is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het Z. tot ZO. at te loopen, waar nog vrij hooge topjes gelegen zijn. Eerst moesten wij op en neer door blangterreinen, afgewisseld met door kreupelhout begroeide ruggen. De eenige nieuwe plant die wij tegenkwamen, ,s Juncus effusus, die ik in 1934 voor het eerst op den Geredong nieuw voor Sumatra vond. Schitterend zijn de Primula s in de nauwe klootjes langs smalle beekjes. Op den bodem van de dalkommen steken prachtig bloeiende half bolvormige polsters van bnocaulon als bulten boven den armoedigen, zandrigen grond uit; hier en daar zijn ze met elkaar tot brilvormige bulten versmolten elders zijn ze eenzijdig ontwikkeld tot halve manen. Uit de depressie ntaau ,?• randt0PPen stijgende, klommen wij langs vrijwel kale steenslaghel mgen naar boven. Op den steenslag, die hier uit kwartsiet en zuiver kwarts bestaat, vonden wij weer dat eigenaardige bronsgroene mangaan-verms. Hier is ook gebrand, want er bevinden zich verkoolde stronken. Een dikke solitaire Quercus op een blanghelling, beladen met roestroode levermoskussens, getuigt van het feit, dat ook hier boomgroei door andere dan klimatologische of edaphische factoren onmogelijk is gemaakt. Van den kam af genoten wij van een panorama van het onbekende, voor ons in het ZO. tot ZW. liggende Barisanhoogland, dat nog mooier is dan van den eigenlijken Kemiri-top. tientallen ruggen loopen af in een diep ravijn; zelden zag ik zoo'n ®te[k versneden bergland. Alle ruggen dragen aan hun voet bij den dalbodem een begroeiing van dennen, kenbaar aan de eigenaardige grijsgroene kleur. Het woei zóó, dat ik mij pas prettig gevoelde, nadat ik, behalve een dubbele flanellen buikband, die mij in het gebergte nimmer verlaat, ook nog de anorak aantrok. De rotsvegetatie is armelijk; schitterend zijn de heksenkringen van Monostachya en Ureobolus ontwikkeld, evenals die van de kleine Eriocaulon. Heksenkringen vormen ook de lichenen-plakkaten op de rotsen, veelal eenzijdig in den vorm van halve manen.

Nadat gebleken was, dat er botanisch weinig of niets nieuws meer te vinden is, besloot ik de verdere exploratie te staken en naar Blang Kedjeren terug te keeren. De eenige aardige vondst was een verslijmingsproces bij Eriocaulon-pokters op zeer drassigen bodem. Ze gaan geheel over in een rose glibberige massa; geconserveerd materiaal, te Buitenzorg onderzocht, bracht helaas niets omtrent de oorzaak aan het licht.

1 Maa* Werd de terugtocht ondernomen, 12 Maart bereikten wij de Eau Alas, en gingen den weg op naar Kongké. Te Geumpangwerd vernomen, dat het bivak Kongké wel vol zou zijn, want er was een heel gezelschap langs gekomen van den houtvester van Atjeh die het voornemen had na te gaan of hier een systematische inzameing van Pmus-zaad waaraan het Boschwezen altijd gebrek heeft, nu de Sumatraansche den in de laatste jaren overal 'in den Archipel voor reboisatie wordt gebruikt — kan worden opgezet.

Tusschen Geumpang en Kongké werd hard aan wegverbetering gewerkt door heerendienstplichtigen en gestraften onder toezicht van de marechaussee. Enkele km weg waren gelegd, waarvoor vele boo-