is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

horsten, vele stammen zijn naar den waterkant omgezakt en over deze kan men a balanceerende het water het dichtst benaderen. Het bleek

bnnrWH 7gen hCt- meCr V™J hoog °PlooPen> wellicht een paar W °Pi 1 r'ngWal zlJn dne t0PPen te onderscheiden, zoo-

Hrllnl naf"\FaVen Laoet Ti^a Sa^ (het meer met de

drie hoeken). Een van die drie heet de Boer ni Boelet, het meer ligt

ten zuidoosten van dezen top; de Pasir lèbar ten noordwesten ervan.

e uitstrooming van het meer noemde de pawang Poetjoek Merpoenga (oorsprong van de Merpoenga), een beekje, dat bij de zoogenaamde Roema Boender tusschen km 66 en 67 in de Lau Alas valt Wij trokken weer snel terug, want de tijd is kostbaar. Ik had gaarne iet meer omgeloopen, maar dat zou den geheelen ochtend in beslag ebben genomen en de rest van den morgen diende te worden besteed aan het bezoek van den Pasir lèbar. De achterblijvende koelies kregen bevel het bivak tegen twaalf uur op te breken, opdat wij dien middag nog een paar uur verder zouden kunnen komen. Geleid door den gids gingen wij op weg naar den Pasir lèbar. Eerst werd een eindweegs de rug van den vongen dag opgetrokken tot ongeveer bij het hoogste punt op ca. 1600 m. Daar moest de gids zelf even zoeken naar zijn spoor vvant er loopen talrijke wildpaden, naar hij zegt van rinocerossen In noordwestelijke richting daalden wij tamelijk steil naar beneden tot ca. 1360 m, waar wij links een sterke 'beek, de Merpoenga hoorden bruisen en het terrein een uitgestrekte vlakke depressie vormt'

r k j i ? ,WaS eVCn Ultzicht tusschen de boomen door; de Pasir lebar deed zich als een sneeuwwitte steenhelling voor. Er heerscht hier een slordige vegetatie met veel omgevallen boomstammen de grond is overal sterk drassig met veel ondergroei van Strobilanthes, tlatostemma, Pilea en dergelijke, en met veel bloedzuigers Er zijn sporen van rh.nocerossen en olifanten. De pawang kijkt enkele zijner uitgezette vallansen na. Eindelijk gaat het terrein iets stijgen. Er loopt een breed pad de wissel van een rhinoceros. En toen was het doe! snel bereikt. De ondergroei wordt steeds ijler en gaat over in een varenbegroenng; dat is een teeken, dat wij de kawah naderden De varenzone is hier ± 100 m breed. Spoedig daarop lag de Pasir lèbar, een desolate, onbegroeide sneeuwwitte puinhelling voor ons. De diameter bedraagt enkele honderden meters. De puinbrokken zien er als gebleekt uit en hebben een ruw, poreus oppervlak, tengevolge van de verweering door de gassen. Aan den voet der helling stroomt een beekje; er hangt weer de typische kawahlucht; echter ook hier geen spoor van werkzame fumarolen, heete rotsen of duidelijke zwavelafzettingen. Het water van het beekje smaakt sterk zuur; behalve enkele wieren is er niets in te vinden, maar welig groeit er plaatselijk Xyns melanocephala. Een door dr. Hardon onderzocht watermonster leverde als resultaat op, dat het veel vrij zwavelzuur (zuurgraad 201) en vrij veel zwavelwaterstof bevat.

Er is een groot verschil tusschen de Pasir lèbar en de solfataren van de Kapi-terreinen. De laatste zijn veel kleiner van omvang, hun odem is niet steenig, terwijl er doode boomstammen verstrooid