is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

acht hij den oostelijken boog van de Striene slechts „mogelijk . Indien men echter de geponeerde ligging van de Geest nabij het Geestrak aanvaardt, is een bocht van de Striene naar het Oosten niet slechts ..mogelijk", maar „zeker". Dat het verloop van die bocht slechts globaal is aan te geven en dat wij den boog van den meander niet kennen, wil ik gaarne toegeven. Toch ben ik het niet eens met den schrijver, dat men rivierbeddingen slechts in het terrein kan vinden, men kan' ze wel degelijk door archiefarbeid benaderen. Men lette in dit verband op hetgeen dr. J. H. Holwerda in Oudheidkundige Mededeelingen 1921, blz. XLI met een beroep op Blink schreef. „Wanneer dus in eene bepaalde periode een bepaalde rivierbedding als zoodanig heeft bestaan, daarop zal waarschijnlijk geen geoloog op grond van zijn eigen wetenschappelijke waarnemingen een antwoord durven geven; om dit te bepalen, daartoe pleegt ook hij zijn toevlucht te nemen tot andere hulpmiddelen ver buiten zijn gebied gelegen."

Punt 3. Schrijver zegt op blz. 7: Het dorp Strienemonde bestond reeds in I24i. In de oorkonde van dat jaar, welke moet zijn bedoeld (Oorkondenboek Holl. 1, no. 382), komt echter de naam Strienemonde zonder meer voor; bedoeld kan dus evengoed zijn de tol of het gors van dien naam. Putten, Putterland en Strienemonde vormden kort voor 1315 een duidelijk omschreven, zich van de zuidoostelijke bocht van de Oud-Beyerlandsche kreek tot een stuk over het noordoostelijk einde van het Spui uitstrekkende, aaneengesloten landstreek, waarover door de heeren van Voorne en Putten hevige strijd werd gevoerd. In dat jaar besliste de graaf, dat deze streek aan Voorne zou blijven, terwijl de heer van Putten haar in achterleen verkreeg. Een heer van Putten was nog in 1355 en 1362 leenman van Voorne voor dit gebied, dat derhalve bezwaarlijk kan worden vereenzelvigd met „den gheerse van Strienmonde" dat den graaf jaarlijks (bv. in I35I) 1352, 1353) 4^ opbracht aan grondrente (Rentmrs. Rek. Z. Holl.'). Ook het in 1330 genoemde graaflijke dorp Strienemonde moet wel iets anders zijn dan het Voornsch-Puttensche gebied. Ligt het nu niet voor de hand, zoowel het graaflijke gors als het graaflijke dorp iets oostelijker te zoeken in het gors „Strienemonde of Spaarkous", dat een klein bedijkt poldertje vormde binnen den loop van de Striene, welk poldertje zeer goed op een plaat in de niet onwaarschijnlijk aan den graaf behoorende *) rivier de Striene kan zijn aangelegd. Deze opvatting wordt versterkt door vele kleinere médedeelingen in de oude rekeningen der rentmeesters van Zuidholland, omtrent het onderhoud van gezegden tol, zoo wat betreft de gebouwen, als den toldam. Deze somtijds doorbrekende toldam immers sluit zich vrij aardig aan bij het hier geponeerde.

Nadere bestudeering van het in gezegde rekeningen schuilende materiaal is echter noodig.

1) De oude groote rivieren behoorden als van ouds koninklijke stroomen aan de graven, de „eisch" van de erfgenamen van heer Nicolaes van Putten in 1312 ging echter tot het midden van de Striene.