is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Punt 4. Een vergissing moet zijn, dat de schrijver den Utrechtschen bisschop Ansfned aanduidt als „graaf van Stryen" (blz. 6). Inderdaad was deze machtige beheerscher van verschillende graafschappen waaronder Toxandrie, Teisterbant, Maasgouw en Hoey, ook voogd en dus m zekeren zin heer van de voogdijheerlijkheid Stryen. Dit was dan ook, zooals werd aangetoond in het Maandblad van het Kon. Nederl. Gen. v. Geslacht en Wapenkunde 1931, kol. 322 e.v., geen graafschap in den gewonen zin. Vergelijk over een en ander Leon Vanderkindere „L'Origine des principeautés beiges" II, 109 en II, 121. Schrijver moet dezen titel ontleend hebben aan de valsche oorkonde van 1 Juni 992. (Oorkondenbooek Holl. no. 67), waarin Ansfried's echtgenoote gravin van Stryen wordt genoemd. In de door hem aangehaalde oorkonde van 985 komt de titel evenmin voor als in andere echte oorkonden.

Ten slotte zij er nog op gewezen, dat de uit het te zamen noemen van N eder Maasland en Beninge in één oorkonde getrokken veronderstelling (blz. 6), dat Neder Maasland wel in de nabijheid van Beninge zal liggen, daardoor wel zeer zwak gefundeerd is.

Th. van Rheineck Leyssius.

W. Brand, Eindhoven, sociografie van de lichtstad. 118 blz. geïll. N.V. J. Emmerings Uitg. Mij. Amsterdam 1937. Prijs ƒ 2.—

Een belangwekkende, zeer lezenswaardig studie. Totaal anders opgevat dan bv. de elders in ons tijdschrift besproken studie van de Deensche steden Ribe en Esbjerg van den Duitscher Neufeldt. (zie blz. 815). Is laatstgenoemde arbeid meer een historische geografie, Brands werk is, zooals de titel trouwens ook aangeeft meer of vrijwel uitsluitend een maatschappij-beschrijving. Namelijk de beschrijving van een wel zeer vlottende fabrieksbevolking in een plaats, welke met Amerikaansche snelheid is opgekomen. In 1920 telde Eindhoven 45 624 inwoners, welk getal in 1930 reeds tot 95 567 was gestegen en in 1934 de 100000 bereikte waardoor het de 7e plaats in ons land geworden is. Grondprijzen stegen daardoor tot het dertig-; huurprijzen tot het twaalfvoudige.

Dat deze snelle groei vóór alles aan de bedrijven van Philips te danken is, komt in deze studie terecht tot uiting. Van de 29077 fabrieksarbeiders in Mei 1930 te Eindhoven, werkten er toen 20136, dit is bijna 70 % bij Philips. Geen wonder, dat aan dit bedrijf in deze studie een zeer groote plaats is ingeruimd, des te grooter waar de schrijver er eenige jaren in is werkzaam geweest. Dat hierdoor de studie een eenigszins eenzijdig karakter krijgt en Philips toch wel iets te sterk naar voren komt, al wijst de schrijver ook op het eigen economisch leven der plaats, komt het sterkst tot, uiting in het hoofdstuk waar de maatschappelijke maatregelen — wil men de sociale instellingen — worden behandeld, die op de verschillende fabrieken zijn genomen, respectievelijk tot ontwikkeling gebracht. Inderdaad wordt men met eerbied vervuld voor wat hier tot stand is gebracht. Hoe opvoedkundig hierbij te werk wordt gegaan, blijkt