is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sche mijlen, dus 400 a 800 zeemijlen), veel veranderlijke winden, dewelke aldaar ook dikwils Oostelijk waayen" (blz. 37°)- an^~ zaam vorderde het schip dus om de Oost. De „instructie schreef voor verkenning te krijgen aan de eilanden St. Paul en Amsterdam tegelijkertijd waarschuwende voor de gevaarlijke en des nachts natuurlijk onverlichte eilanden, welke waarschuwing Klaas de Vries overnam (blz. 372) en die als volgt luidt: „ook staat te weeten, dat het Eijlandt S. Paulo op omtrent 38 graden Suyder breete en bij Stuurmans gissing omtrent 700 mijlen (dus 2800 zee miilen) be-oosten de Cabo Bona Esperance leijt, daar men ook moet op verdacht wesen ende in tijdts uijtsien om met onyersiens op het selve te vervallen". Werden de eilanden niet in het zicht geloopen, dan wist de navigator zich in haar nabijheid, en althans ten oosten ervan, te bevinden, wanneer hij „groente in het water zag drijven. Naar dit „vaste merkteeken" werd scherp uitgezien. Het „relaas" vermeldt, dat op 27 Februari de eilanden St. Paul en Amsterdam gepasseerd zijn, hetgeen neerkomt op een daggemiddelde sinds het vertrek van de Kaap van ongeveer 140 zeemijl, een snelheid, die niet slecht genoemd mag worden. Daarop stelde de schipper koers om de Noord, zoodat de ZO. passaat spoedig het schip met groote vaart equatorwaarts kon voeren. Wetende, dat men in April op den equator en daar benoorden westelijke en westnoordwestelijke winden kon verwachten, was voorgeschreven de route ruim bewesten langs de Maladiven te kiezen. De parallel van 9y2° Nb. moest worden bereikt. Dan veranderde men koers om de Oost en liep voor den wind, langs de parallel, zonder met eenigen graad van nauwkeurigheid de lengte van de scheepsplaats te kennen door het Negengraadskanaal. Aldus naderde men de westkust van' Voor-Indië, de Malabar-kust, welke niet steil in zee afdaalt, maar die op verren afstand kan worden aangelood. Op die wijze kreeg de zeeman tijdig verkenning van de kust, die een lagerwal was. Wist hij eenmaal in de nabijheid van het land te zijn, dan was de navigatie om de zuidpunt van Voor-Indië naar Ceylon niet

meer moeilijk, noch zorgelijk. ,

Dit voorgeschreven vaarprogramma zou de „Ravenstijn helaas niet afwerken. Het schip was teveel om de Oost verzet en kreeg plotseling onder lij, dus ten oosten van zich en aan de gevaarlijke zijde, land van de Maladiven in het zicht. Het „relaas ' dat zeer deskundig en in goede zeemanstaal is gesteld, beschrijft den toestand als volgt. „Saagen na lang swerven de Maldivese eijlanden op den 7den desen (Mei) op de noorderbreete van 7 graaden in 't oosten, zoodat bevonden bewesten die Eijlanden vervallen te zijn en 30 meijlen (dus 120 zeemijlen of ongeveer 2 graden) oostelijker als gegist hadden. Leijden het doen over bij den wind, van de wal, hadden de wint van 't NW. tot WNW. en bleeven soo stuuren met de steevend om de ZW." Bevangen door schrik, tegen de verwachting land in lij te ontdekken, ging het schip over stag en werd de noordelijke koers, dien men liep en waarbij de wind van bakboord