is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rivier niet in staat zonder een ontoelaatbare stijging van de hoogste waterstanden. Het was dus de vraag of het mogelijk was haar afvoerend vermogen zoodanig te vergrooten, dat deze stijging daardoor te

niet werd gedaan.

In de jaren 1915 tot 1917 werden in de Maas boven en beneden den overiaat tijdens werking van de Beersche Maas, een aantal afvoermetingen verricht, welke, kort samengevat, het volgende resultaat opleverden. Bij den stand te Grave van 10.35 m N.A.P., waarbij de overlaat begon te werken, bedroeg de afvoer van de Maas 1000 m3. Steeg de afvoer hierboven, dan werd een gedeelte van het Maaswater naar de traverse afgeleid, welk gedeelte snel toenam naarmate de totale afvoer grooter werd en de rivier hooger steeg. Bij den tot toen hoogsten bekenden stand, in December 1880, werd de totale afvoer van de Maas op 3000 m3/sec. geschat, waarvan 1200 m3 over den overlaat stroomde, zoodat de Maas bij Grave nog ongeveer 1800 m3 had af te voeren. Daarbij was de waterstand aldaar tot 11.21 m + N.A.P. gestegen, waarmede feitelijk het uiterste reeds was overschreden, waartegen de dijken bestand waren. Toen in Januari 1926 de afvoer tot naar schatting 3200 m3 steeg, trad ook het noodlottige gevolg voor den dijk te Nederasselt in. Had toen de geheele waterhoeveelheid door de rivier langs Grave moeten stroomen, dan zou de waterstand daar naar raming nog 0.80 m hooger zijn geweest. Het op te lossen vraagstuk was dus: was het mogelijk en, zoo ja op welke wijze, de Maas geschikt te maken om een waterhoeveelheid van 3000 a 3200 m3 per seconde af te voeren zonder dat gevaar voor de aanliggende landstreken ontstond.

In 1919 stelde de Regeering een staatscommissie in onder voorzitterschap van den hoofdingenieur-directeur van den Rijkswaterstaat C. A. Jolles en waarvan de ingenieur dr. C. W. Lely secretaris was. Aan deze staatscommissie werd een tweeledig onderzoek opgedragen, in de eerste plaats naar de mogelijkheid om te voldoen aan het sedert 1914 herhaaldelijk gedane verzoek van belanghebbenden om den Beerschen overlaat zoover op te hoogen, dat deze eerst begon te werken bij een stand te Grave van 10.80 m + N.A.P., in de tweede plaats een onderzoek naar de volledige opheffing van de Beersche Maas.

Reeds in hetzelfde jaar bracht de commissie haar rapport over de beperkte sluiting uit. De verhooging, welke de hoogste waterstand te Grave ten gevolge van de ophooging van den overlaat zou ondergaan, werd in een nota van dr. Lely op slechts 2 cm berekend en op grond daarvan adviseerde de commissie om deze verhooging toe te laten, mits het hoog gelegen winterbed voor de te leggen kade werd verlaagd. De kade werd in 1922 van Rijkswege gemaakt en daarna aan het waterschap de Maaskant overgedragen. Zij gaf aanvankelijk aanleiding tot moeilijkheden. Reeds in den eersten winter brak zij door en van Geldersche zijde werd beweerd dat zij te hoog was en daardoor de bedijking aan den rechter oever van de Maas in gevaar bracht.

Intusschen bracht in 1921 de staatscommissie haar eindverslag uit,

K.N. A. G., LV.

57