is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aangelegd en het dorp Keent van den rechter naar den linker oever verhuisde. Verruiming van het riviervak tusschen Grave en Kuik, noodig voor een goede aansluiting van de nieuwe rivier aan de Limburgsche Maas, is thans het eenige werk, dat nog te verrichten overblijft.

Zoo is dan een werk tot stand gekomen, dat aan een uitgestrekte landstreek in ons vaderland nieuwe mogelijkheden tot ontwikkeling brengt. Tegen algeheele afsluiting van den Beerschen overlaat door doortrekking van den bandijk op den linker Maasoever bestaat thans geen beletsel meer. Noordoostelijk Noordbrabant zal in het vervolg bevrijd worden van den telkens terugkeerenden waterlast, die tot dusver in vele opzichten aan zijn ontwikkeling grenzen stelde. Beheersching van den waterstand, behandeling van den bodem met kunstmest zullen er mogelijk worden en de landbouw in staat stellen zich te ontplooien. De in 1929 tot stand gekomen bemaling van de Raam zal ook het vroeger zoo schadelijke Peelwater kunnen weren. De wegen zullen verbeterd kunnen worden en niet meer zal het kunnen voorkomen dat, zooals vroeger, tal van dorpen weken- of maandenlang van korte verbindingen met de buitenwereld verstoken zijn.

Daarbij is reeds thans het nieuw gekanaliseerde vak van de Maas een belangrijke schakel geworden voor de scheepvaartverbinding met Limburg. De stroomopwaarts gaande vaart verkiest voor een groot gedeelte den weg over de Maas, waar ten gevolge van de opstuwing nagenoeg geen tegenstroom wordt ondervonden, boven die langs de Waal en het Maas-Waalkanaal. Deze vaart gaat niet alleen door de nieuwe sluis te St. Andries, maar ook over Andel of de Bergsche Maas, waar gedurende een gedeelte van het getij van den vloed voor de opvaart gebruik gemaakt kan worden.

Tegenover deze groote voordeelen staan slechts geringe nadeel en. Als zoodanig is eigenlijk slechts te noemen dat ten gevolge van de daling van de waterstanden de uiterwaarden, ondanks hun verlaging, zelden meer onder water zullen komen en dus de vruchtbaar makende aanslibbing zullen moeten missen. Zulks brengt anderzijds mede dat in de toekomst weinig ophooging van deze uiterwaarden meer is te verwachten, hetgeen een kostbaar onderhoud van de gewenschte maximumhoogte overbodig maakt.