is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 3, 1863, 01-01-1863

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Erfgenamen tegen de voogden, en later tegen den kerkeraad om den achtsten penning niet langer te betalen, hetgeen tot hier toe steeds door hen gedaan was, maar dat bij de afrekening terug gevorderd werd. De kerkeraad had dit geschil liefst voorkomen gezien, weshalve hij, om van alle verdere moeijelijkheden ontslagen te zijn, in 1670 drie van zijne leden (Harmen Gerritsz Blaupot, Jan van Gelder en D. ten Cate), in last gaf, bij de Regering te bewerken, dat de kerk enz. van het daarop gelegde fideicommis bevrijd mogt worden. Dat dit niet is geschied, schijnt aan het vasthouden der beide partijen aan sommige punten te moeten worden toegeschreven.

Welke de eigenlijke quaestiën in dit proces waren, ziet men uit de eischen van weerszijde, gedurende den loop er van gedaan, voornamelijk van 1679—1684. Die eischen verschillen in eenige bijzonderheden, doch ze komen, volgens de waarschijnlijk meest naauwkeurige opgaven, hierop neder:

Erffgename van H. H. Van Warendorp te debiteeren voor volgende ongelden omme met derselver Erffgename daerover te accordeeren soo verstaen sal worden dat de gemeente tot haer laste daervan te vorderen heeft. Eerstelyck voor diverse jaeren van 't schoonmaecken van de Kerck, volgens de notitie van Gerrit Koeck, als volght A'.

1649, 55, 57, 60, 62, 64, 72, 74, 79. . ƒ 2,254,17

Item voor de jaere 1640—1648, en de andere vermiste jaeren als 1650, 54, 56, 58,

59, 61, 63, 73, is daervoor te stellen, . . // 1,900,—