is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 4, 1864, 01-01-1864

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»exempel van alle vernederinge, en Oodtmoutigheyt, Aëge//sien dat hy den Sone Gods sijnde, sijne 11eeilijcklieyt //hadde verlaten om onsent wille, ende gheworden was in // de gedaente van de alderverworpenste op aerden." En dan rigtte hij zich tot zijne hoorders met eene ernstige strafrede, en riep hun toe: // Schaemt u ghv Hooveerdige, //Schaemt u ghy groothertige menschen int aensien van //Jesus, die hier voor uwen oogen leyt in doeken gewonn den, 't is wonder dat u noch eenighe pronck en prael //ter herten gaet."

Op den tweeden Kersdag handelde hij veelal over Mt. 23: 34 vlgg.: //Ziet, ik zeilde tot u profeten," enz en sprak daarbij vooreerst over de grootheid van Gods barmhartigheid ; vervolgens wees hij op de ondankbaarheid van de wereld, die ten allen tijd de dienstknechten Gods vervolgd had. Hij toonde tevens aan, dat eene kerk, die hare leden tot zulk eene handelwijze aanspoorde, niet de kerk van Christus kon wezen, en vermaande tot eene hooge waarderiug van de duurgekochte vrijheid des gewetens, waarin de gemeenten zich mogten verblijden, nadat de dagen van benaauwdheid waren voorbijgegaan. Eindelijk sprak hij nog van de strafte Gods, waaraan de wereld zich door hare ondankbaarheid blootstelde, en schilderde daarbij de vreeselijke ellende, die het onbekeerlijke Jerusalem had getroffen.

In de lijdenspreken wees hij er zijne hoorders op, hoe weinig zij nog geleken op den Meester, mens naam zij droegen. // Si et," zoo sprak hij dan soms, // hoe uwen Heere // met koorden aen sijne handen gebonden, ende naeekt uyt//getogen, ten spotte staet voor een ygelijcken, Ende hoe