is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 4, 1864, 01-01-1864

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1591 eenigen tijd aldaar vertoefd, en toen reeds dien brief geschreven heeft. Als dan laten zich de verschillende berigten op deze wijze vereenigen: 1591, L. G. treedt met de zijnen tot het Ceulsche verdrag toe, en de Ries neemt met de Embdensche gemeente den vrede aan; L. G. neemt ze uit naam van de vereenigde gemeenten op in "t verbond, en nu stelt de Ries met eenige anderen in 1592 eene belijdenis op om het werk der verbroedering daardoor nog meer te bevorderen, en de vereeniging .van Hoogduitschen, Waterlanders en Jonge Friezen nog meer algemeen te doen worden.

Hoe dit zij, door al die onderhandelingen had men de zaak nog niet tot het gewenschte einde kunnen brengen. Althans wij bezitten nog weder eene andere Bekentenisse van de menschwerdinge ende menschent Jesu Christi (MS.), welke door de Ries omstreeks 1594 aan //de Ouerlandtsche Broederen" moet zijn ingeleverd. Hij was tot het opstellen van dit geschrift uitgenoodigd op eene vergadering te Alkmaar, ons van elders onbekend, 't Is toch niet waarschijnlijk, dat wij hier te denken hebben aan de bijeenkomst, te Alkmaar in 't jaar 1 577 gehouden. Wel spreekt Lodewijcx van Dalen in zijn brief aan de Ries, geschreven in 1603, van deze belijdenis als van een // schrift" door dezen eertijds aan de Hoogduitschen overgegeven, maar de betuiging van den schrijver zeiven, dat hij over het hier behandelde leerstuk al // etlicke verlo// pene jaeren1' velerlei strijd en disputatie had gevoerd, wijst naar een later tijdstip heen, misschien naar t jaar 1594; alhans de beide tegenschriften, die het uitlokte,