is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 4, 1864, 01-01-1864

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij boodschapten dit aan de dienaren, en nadat een aantal doopelingen, waaronder ook eenige Engelschen, door den waterdoop in de gemeente waren opgenomen, werden de overige Engelschen, die de confessie in haer geheel hadden aangenomen, zonder doop toegelaten tot de broederschap *).

Zoo was dan in dit geval de belijdenis van de Ilies en Lubbert Gerritsz. aangemerkt als het kort begrip der geloofsleer volgens de opvatting der Waterlanders. Maar hier doet zich de vraag aan ons voor, in hoe verre zij haar gezag als zoodanig heeft gehandhaafd. Onderzoeken wij dus kortelijk, of Schyn het regt had om haar {Geschied. Dl. II. Pag. 156) voor te stellen als de algemeene belijdenis der Waterlanders. Wij meenen gegronde redenen te hebben om deze laatste vraag ontkennend te beantwoorden. Over 1t geheel toch vonden onze Doopsgezinde voorvaderen maar zelden hunne godsdienstige overtuiging in allen deele uitgesproken in eenige geformuleerde geloofsbelijdenis. Faukelius verklaart dan ook in zijn meermalen aangehaald geschrift, dat zij // noyt een eenparighe belydenisse //hares gheloofs hadden gestelt," (dit schreef hij in 1621). En inderdaad, al' waren er ook velerlei confessiën verspreid en uitgegeven, — gedurig hadden zich stemmen verheven om de daarin uitgesprokeue stellingen aan te tasten en omver te werpen. Yeelal beschouwde men de geloofsbelijdenissen als particuliere confessiën van de opstellers dier stukken, en hield men de Heilige Schrift voor den eenigen toetssteen, volgens welken men de meerdere of mindere waarde dier geschriften kon beoordeelen. Zoo zegt

*) Zie Starck a. w. Pg. 325; — Wagenaar, Amsterdam Tweede stuk Pg. 194; — Memoriael van R. W. (Ms.).