is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 4, 1864, 01-01-1864

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doorgaande stemming van een dankbaar hart, dat zich verblijdt in den Heer.

En zoo was het met Jeronymus Segersz. — De historieschrijver Brandt, sprekende van de rustige welgemoedheid, waarmede onze vaderen het kruis des lijdens droegen, beroept zich met nadruk ook op hem. Indedaad, niet te onregt.

De edele man, wat wist hij onder het grievendst leed nog altoos stof tot vreugde te vinden! //Ik heb — be//tuigt hij — sulke blijdtschap door Gods belofte, dat ik //niet eens denke op dit lijden. Ik heb sulke blijdtschap //en troost, dat ik het noch seggen, noch schrijven kan. // Ik meinde niet, dat een mensch sulke blijdtschap in de //gevangkenis sou konnen hebben *)." — Zelfs bij de gedachte aan den brandstapel, die binnen weinige uren hem wachtte, kon hij nog aan zijne vrouw schrijven: //Siet, //mijne lieve Huijsvrou in den Heer, nu is de ure geko// men dat wij moeten scheijden, en soo ga ik voor met // groote vreugde en blijdtschap naar mijnen en uwen He//melschen Vader, en ik bidde u met groote ootmoedig//heid, dat gij daerin niet bedroeft zijt, maar verblijd u //met mij"

//Er is inderdaad iets aandoenlijks in de eenvoudige // vroomheid en gemoedelijkheid, die ons uit de geschriften //der oude Doopsgezinden, vooral ook uit de brieven, be// lijdenissen en testamenten hunner martelaren tegenademt; '/de teederheid van geweten, waarmede zij hunne christe// lijke roeping opvatten en behartigden, de ernst waarmede

*) G. Brandt, Hist. der Ref. v. D. I, bl. 164.