is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 4, 1864, 01-01-1864

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haalde Levensbeschrijving van David Joris met voldoende zekerheid te bepalen. Al de partijen waren het met elkander eens, dat de kinderdoop een misbruik was, en verschilden niet veel van meening omtrent het avondmaal, de menschwording van Christus, den vrijen wil en de vraag of een wedergeborene de geboden Gods al dan niet volkomen vervullen kan, — maar hare gevoelens liepen uiteen ten aanzien van het huwelijk en den aard van het Godsrijk. Munsterschen en Batenburgers stonden de polygamie voor, welke Melchioriten en Ubboniten als overspel veroordeelden, en achtten echtscheiding volstrekt noodzakelijk, wanneer een der echtgenooten een ongeloovige was d. i. niet tot hun aanhang behoorde. Wat den aard van het Godsrijk betrof, leerden de Ubboniten, dat er geen andere toestand van dit rijk hier op aarde te wachten was, dan de tegenwoordige, namelijk een toestand der vervolging, en dat zij die het ambt van leeren en van 't bedienen der sacramenten waarnamen, hunne bevoegdheid daartoe eeniglijk en uitsluitend ontleenden aan de gemeente en haar behielden, zoolang de gemeente hare eens verleende volinagt niet introk. Zij hielden derhalve niet alleen de meening der Munsterschen en Batenburgers, dat de wederoprigting van het Godsrijk met geweld en door het zwaard moest tot stand komen, voor goddeloos en oproerig, maar verklaarden ook de leer der Melchioriten voor dweeperij, alsof die wederoprigting door eene nieuwe uitstorting des Heiligen Geestes onder wonderbare teekenen zou plaats hebben waarbij dan nieuwe profeten en apostelen van Godswege zouden gewijd worden, zoodat men met het bedienen der sacramenten tot op dien tijd moest wachten.