is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 4, 1864, 01-01-1864

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tot in 't late najaar van 1543 bleef Menno in Holland toen het steeds toenemend gevaar hem drong voor altijd ons vaderland te verlaten. Zeker waren deze beide jaren, tot welke waarschijnlijk de beide voorvallen, in zijne Werken bl. 350 vermeld, behooren, de onrustigsten van geheel zijn leven, 't geen reeds daaruit eenigzins op te maken is, dat hij, die in de laatste vier jaren zes geschriften had uitgegeven en na 1544 zich weder een even vruchtbaar auteur betoonde, gedurende dit tijdperk niets in het licht gaf, ten zij misschien het korte vertoog: van de Jcindertucht *).

Maar door leering en doop breidde Menno vooral te Amsterdam de gemeente uit. Twee zijner doopelingen zijn ons bij name bekend: de hoogbejaarde Lucas Lambertsz. van Beveren en de wakkere Jan Claeszoon, die niet alleen als boekverkooper hem de uitstekendste diensten in 't verspreiden zijner werken bewees, maar ook als leeraar zijn huis openstelde voor godsdienstige zamenkomsten f), tot dat hij in hechtenis raakte door de aangifte van Reijer Willemsz. perkamentmaker te Leiden, die zelf werken van David Jo-

„ende uytgedcelt te werden"; doch waarschijnlijk wordt hier Oostfriesland bedoeld.

*) Dat althans een geschrift van Menno in 1543 en wel in 600 exemplaren, waarvan 200 in Holland verkocht en de overigen naar Friesland gezonden werden, te Antwerpen gedrukt werd, blijkt uit het vonnis tes;en Jan Claeszoon, 19 Jan. 1544, die 't als boekverkooper verspreidde, en dat het dit boekje van de lucht was, is waarschijnlijk uit een paar fransche brieven van de landvoogdes Maria, 11 en 18 Jan. 1543, op 't Rijks archief te Brussel voorhanden, waarin navraag gedaan wordt naar een boekje la doctrine des enffans genoemd, dat zonder naam van auteur te Antwerpen gedrukt was.

t) Justitieboek van Amsterdam. Vgl. Keurboek, 10. f°. 237,238 en 261.

10