is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veer 2/3 zoet- tegen J/3 zeewater, treft men des zomers slootwater met chloorgehalten van gemiddeld 1200 mg/liter of nog hooger aan waarmede men o.a. de tuinen begiet. Ir. J. M. Riemens, de tuinbouwconsulent onder wien Voorne nog niet lang geleden ressorteerde, nam hieromtrent proeven en vond o.a. dat geregeld begieten met water van 300, 600 en 1200 mg Cl per liter de productie van tomaten reeds met resp.: 15, 28 en 35 % deed verminderen. Bij een gehalte van 300 mg verdwenen reeds de extra groote vruchten uit den oogst.

Bij begieting van boonen met water van 300, 600, 1200 en 2400 mg Cl/1 was de opbrengst resp.: 650, 450, 300 en 60 gr. Het normale Voornsche slootwater gaf dus voor boonen een schade van meer dan 50 % (zie bijgaande duidelijke foto's 1 t/m 3 van ir. Riemens).

Bij begieting van druiven met water van 300, 600, 1200 en 2400 mg bleken soortgelijke achteruitgangen op te treden. De algemeene gevolgtrekking welke uit deze proeven viel af te leiden was dan ook, dat voor vele tuinbouwgewassen reeds merkbare achteruitgang valt waar te nemen indien water van 300 mg Cl/1 gebruikt wordt, dat water van 600 mg reeds tot ernstige schade leidt en dat water met 1200 mg, zooals in het grootste deel van Voorne des zomers als regel voorkomt, als gietwater geheel ongeschikt is te achten.

De heer Riemens becijferde dan ook, dat voor een normaal jaar (1931) op Voorne een schade van ƒ 500000 geleden wordt wegens slechte oogsten van druiven en tomaten alléén. Rekent men ook iets voor de andere gewassen, dan komt men reeds spoedig tot een gekapitaliseerde schade van 15 a 20 millioen gulden.

Wat voor Voorne voor een tuinbouwgebied van ongeveer 2000 ha geldt, is in meer of mindere mate ook voor andere streken van kracht. Ir. Riemens vond dat niet alleen op Voorne, doch ook op de overige Zuidhollandsche eilanden „het boezemwater momenteel (dat was geschreven in 1937) beslist ongeschikt is voor het begieten van planten. Bij dergelijke gehalten aan chloor in het gietwater is het absoluut onmogelijk om met succes de tuinderij uit te oefenen".

Het is duidelijk dat in verband met de toenemende bevolking van ons land — 12 millioen zielen in het jaar 2000 volgens de becijferingen van de Commissie „Drinkwatervoorziening Westen des Lands 194°" — de cultuur van den ons beschikbaar staanden bodem sterk moet worden opgevoerd. Vooral de tuinbouw zal intensiever moeten worden beoefend, zelfs indien in het buitenland geen afzetgebied gevonden zou worden. Daar het lage deel van ons land, afgezien van het zoutvergif, zoo bij uitstek geschikt is voor tuinderij, ligt het voor de hand te verwachten dat er in de toekomst „uit gehaald zal moeten worden wat er in zit". Hiervoor moet in de eerste plaats het zout zoo krachtig mogelijk worden bestreden.

§2. Toelaatbare chloorgehalten

Het 2e Congres voor Openbare Gezondheidsregeling, in 1897 te Amsterdam gehouden, kwam op grond van verschillende opgaven in de literatuur tot het besluit dat een chloorgehalte van hoogstens 300