is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mg per liter voor drinkwater nog juist kan worden toegestaan. Dit komt ongeveer overeen met hetgeen bv. Fischer beweert, nl. dat niet meer dan 80 % der menschen in staat is 273 mg Cl/1 nog juist te proeven. Rubner stelde de toelaatbare chloor-grens op 224 mg.

De Commissie inzake de watervoorziening van Delft, aan wier rapport (1909) het voorgaande is ontleend, komt tot de opvatting dat het cijfer van 300 mg Cl/1 dient te worden aangehouden. Dit is juist het bedrag dat ook Ir. Riemens aangaf als grens met het oog op de tuinbouwgewassen.

Het onlangs verschenen rapport van de Commissie „Drinkwatervoorziening Westen des Lands 1940" zegt op blz. 111: „In het algemeen wordt aangenomen, dat water met een chloorgehalte van meer dan 400 mg/1 niet meer geschikt is voor drinkwater". Het drinkwaterleidingsbedrijf te Amsterdam, dat eveneens in 1940 een zeer uitvoerig rapport deed verschijnen, neemt 250 mg/1 als grens.

Op grond van onderzoekingen door dr. Zuur en dr. van Schreven mag men voorts aannemen dat voor akkerbouwgewassen 1500 a 1800 mg Cl/1 een grens is en voor veeteelt 1200 mg.

In het hiernavolgende zal de door velen genoemde grens van 300 mg Cl/l als grens tusschen „zoet" en „brak" worden aangehouden.

§ 3. Nederlandsche zoutproblemen

In het noorden van ons land heeft men het zoutprobleem ten naastenbij opgelost. Veelal stelt men in de populaire literatuur de inpoldering der Zuiderzee alleen voor als een landaanwinning, terwijl het toch ook de bedoeling was een zoetwaterbassin te scheppen van waaruit de omringende lage landen vrijelijk in tijden van droogte zouden kunnen tappen. In Noordholland is de verwachting nagenoeg zoet boezemwater te verkrijgen echter nog niet geheel vervuld, daar te IJmuiden o.a. een lek van niet te onderschatten afmetingen aanwezig is in den vorm van de nieuwe groote schutsluis. Tijdens het schutten dringt het zware zoute water uit zee nabij den bodem in het Noordzeekanaal en mengt zich hier met zoet water, zoodat veel brakwater ontstaat en dit verspreidt zich zoowel naar het noorden als naar het zuiden van Noordholland. Evenwel zijn plannen tot bestrijding van dit euvel in voorbereiding.

Het zijn vooral de laagliggende landen die last van het zout hebben. Hooge nieuwe landen, zooals in Groningen, Friesland en Zeeland voorkomen, hebben van het zout betrekkelijk weinig last. Het regenwater blijft in voldoende hoeveelheden in deze hoogliggende landen achter om ook in tijden van droogte de planten het noodige te kunnen geven. Voorts zijn de akkerbouwgewassen die hier geteeld worden ook minder gevoelig voor chloor dan de tuinbouwgewassen, die meer in de lage landen worden gekweekt.

Het lage deel van Schouwen, grootendeels omringd als het is door zeewater van hooger liggend niveau, verkeert echter in een bedroevenden toestand. Zeekraal en zeeaster in de slooten, slecht gras op de weiden en wijde vergezichten zonder boerderijen toonen aan dat het