is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op de Brielsche Maas lag de zoutgrens in 1908 merkwaardig dicht bij zee. Het is de vraag of deze zoutgrens zoo geteekend mocht worden. Weliswaar werd op de Brielsche Maas boven deze grens geen zout gevonden, doch wegens de aanwezigheid van de Noordgeul als verbinding tusschen Waterweg en Oude Maas moet tijdens vloed eenig brak water de Oude Maas zijn opgestroomd. Evenwel was de Noordgeul evenals thans zeer smal, zoodat het brakke water van den Waterweg slechts in beperkte mate de Oude Maas kon binnendringen. Men zie hierover nog hetgeen in § 11 wordt geschreven.

Op het Spui kwam het zout bij HW gemeenlijk nog niet bij OudBeijerland.

§7. Toeneming van het zoutgehalte te Maassluis

In § 3 werd het volgende crescendo opgesomd: in 1893 moest het intappen bij de Oranjesluis verboden worden (zie fig. 2), in 1921 bij Maassluis en in 1934 bij de Vijfsluizen; een opschuiving van de zoutgrens over 16 km in 40 jaren. De volgende feiten duiden in dezelfde richting. Maassluis bouwde indertijd haar waterwerk iets boven haar haven en zou dit thans zeker niet meer doen. Beweerd wordt dat men hier vroeger normaal zoet drinkwater kon betrekken, terwijl vaststaat dat dit tegenwoordig niet meer kan; sinds Aug. 1935 heeft Maassluis een zg. waterboot aangeschaft, waarmede zoet water uit de Oude Maas boven de brug te Spijkenisse wordt gehaald. De drinkwaterleiding van Vlaardingen was gedwongen op 1 Jan. 1923 een contract aan te gaan met de gemeente Rotterdam voor het leveren van drinkwater, terwijl Rotterdam zelf in 1938 moest overgaan tot het bouwen van een gemaal om het zoete water tijdens LW te kunnen oppompen; voordien had zij de gelegenheid bij hooge rivierstanden zoet water vrij in te laten.

Het zou, zooals reeds tevoren is aangestipt, mogelijk kunnen zijn dat men allengs wakker is geworden voor de gevaren van zout voor den tuinbouw in het Westland en ook dat men te Maassluis, Vlaardingen en Rotterdam wegens bevolkingsaanwas tegenwoordig gedurende langeren tijd per getij water zou moeten inlaten, zoodat men daardoor ook meer zout zou binnen krijgen. Hoewel deze factoren niet geheel terzijde kunnen worden gesteld, moet toch op grond van de vele exacte cijfers die van Maassluis, Vlaardingen en Rotterdam bekend zijn, worden aangenomen dat het water op den Waterweg inderdaad vrij sterk is verzilt.

Wat Maassluis betreft kan een reeks metingen bij 29 getijen in Juli 1908 (zie verslag Ramaer) vergeleken worden met een reeks metingen bij 17 getijen, uitgevoerd door den Rijkswaterstaat in September 1933. Bij de laatste metingen was de stand van de bovenrivier lager dan bij de eerste, maar dit verschil is niet van zoodanige grootte dat daarmede de in fig. 3 geteekende aanzienlijke verschillen in chloorgehalte geheel verklaard kunnen worden. De gemiddelde getijhoogten van beide perioden ontloopen elkaar ook weinig. Men moet dus wel