is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20

sterk het geval is voor de gemiddelde afvoeren en zeer sterk voor de lage afvoeren.

Bij den stand te Lobit van 9 m + N.A.P. kwam bij Spijkenisse in 1908 gemiddeld een chloorgehalte van 90 mg/liter voor, terwijl dit in 1938 1450 mg/1 was geworden.

Bij den laagst voorgekomen stand van 8.11 m + N.A.P. zou in 1908 naar schatting 110 mg/1 in het water aanwezig zijn geweest en in 1938 naar schatting gemiddeld (van LW en HW) 2000 mg/1.

Verdere onderzoekingen toonden aan dat er in 1938 bij een stand van 8.11 m + N.A.P. te Lobit (laagst bekende stand) gemiddeld nog gedurende 6 uren per getij zoet water bij de brug van Spijkenisse aanwezig was, bij den gemiddelden stand van 11.16 m + N.A.P. gemid¬

deld nog gedurende 10 uren terwijl bij den stand van 12 m + N.A.P. te Lobit het zoute water de brug slechts even bereikte (zie fig. 10).

Vergelijkt men deze getallen met de gegevens van 1908, die aangeven dat het zoute getij in dat jaar, uitgezonderd bij een drietal stormdagen, nimmer tot de brug is doorgedrongen, dan blijkt ook hier een sterke toeneming van den invloed der zee.

§12. De ligging van de zoutgrenzen in 1938

Hoewel de ligging der zg. zoutgrenzen aan sterke schommelingen onderhevig is, hebben wij in fig. 11 getracht een pendant te geven van het door Ramaer in 1908 gepubliceerde kaartje (zie fig. 2).

Op de noordelijke benedenrivieren moesten deze grenzen ten opzichte van die van 1908 zoowel bij HW-kentering als bij LW-kentering rivier-opwaarts verschoven worden geteekend, namelijk op de