is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In dit principe brengt ook de eb- en vloedbeweging geen verandering. In den mond van den Waterweg overheerscht dan ook, blijkens uitgevoerde metingen, nabij den bodem de vloedstroom (zout) den ebstroom, niettegenstaande per dag door den mond gemiddeld ruim 70 millioen m3 Rijnwater wordt afgevoerd.

Bij groote rivierafvoeren heeft de wig een steil bovenvlak, bij lage rivierafvoeren een zwak hellend, zoodat zij dan langer is en met de punt verder landwaarts komt te liggen. Ook ligt in diepe rivieren de wigpunt verder landwaarts dan in ondiepe, terwijl bij groote getijverschillen, zooals bij springtij het geval is, de wig ver landwaarts trekt. Dit zijn echter alle slechts invloeden die op zichzelf niet zeer belangrijk zijn. Een verdieping van de rivier met één meter zal de „punt" van de wig op den Waterweg weinig meer dan een km landwaarts doen gaan.

Het is duidelijk dat de menging van het zoute en het zoete water de belangrijkste factor is. Zonder menging zou het oppervlaktewater stroomopwaarts van een punt op 15 a 20 km van den mond gelegen (iets boven Maassluis) nimmer zout kunnen worden en zou bij LW zelfs bij Hoek van Holland het oppervlaktewater zoet moeten zijn. In plaats van iets boven Maassluis ligt de HW-zoutgrens echter bij Rotterdam en in plaats van bij Hoek van Holland ligt de LW-zoutgrens bij Vlaardingen. Deze verschillen zijn uitsluitend een gevolg van de menging, dus van de vorming van brak water.

Op den Waterweg is in verhouding tot andere benedenrivieren betrekkelijk veel gemengd (brak)water. De overgang van zeewater op zoet water is er lang en zeer geleidelijk, zooals bv. uit fig. 13 valt af te leiden. In de periode 18 September—3 October 1933 waren de lijnen van gemiddeld zoutgehalte voor gemiddeld 14 %0 (half brak) en 2 °/oo (weinig brak) bij HW ongeveer 10 km van elkaar verwijderd, terwijl bij LW zelfs de grenzen van 2 °/00 en x/2 %0 °P een afstand van 7 km van elkaar lagen2). Stroomopwaarts loopen de lijnen van gelijk zoutgehalte der brakwaterzóne dus hoe langer hoe verder van elkaar. De afstand tusschen volkomen zout water (zeewater) en volkomen zoet (rivier)water is op den Waterweg dikwijls meer dan 25 km.

Bij de bestrijding van het zoutbezwaar rijst natuurlijk in de eerste plaats de vraag hoe deze zeer lange brakwaterzóne (Maassluis-Rotterdam) verkort zou kunnen worden of m.a.w.: hoe de menging zooveel mogelijk kan worden tegengegaan; het vak beneden Maassluis is op deze wijze niet te helpen, daar Maassluis binnen den afstand van een normalen vloedweg uit zee is gelegen.

Gaan wij na wat de waarnemingen ons omtrent deze menging leeren dan kan men de volgende algemeene regels opsommen:

1. Bij vermindering van den afvoer van het opperwater dringt het zout spoedig stroom-opwaarts, de brakwaterzóne zet zich dus uit; bij groote afvoeren krimpt de brakwaterzóne in. De verklaring hier-

2) 1 °/oo zoutgehalte komt overeen met 600 mg chloor per liter.