is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE SCHIERVLAKTE VAN EIFEL EN ARDENNEN VÓÓR DE OPHEFFING TOT BERGLAND

DOOR

Dr. P. T E S C H

(met 2 foto's en i kaart in den tekst, benevens i kaart achter in deze

aflevering )

Inleiding. Onlangs uitte ik — in sterk samengetrokken vorm — mijn zienswijze betreffende de jongtertiaire schiervlakte, welke in veel later tijd tengevolge van opheffing tot het tegenwoordige bergland van Eifel en Ardennen werd vervormd. Aangezien deze toestanden en gebeurtenissen ten nauwste verbonden zijn met het jonge verleden en het heden van ons stukje aardkorst, wil ik het onderwerp in dit tijdschrift iets uitvoeriger behandelen.

Op de afgeslepen wortels van het jongpalaeozoïsche orogeen (de armoricaansch-varistische bergketens) hebben zich gedurende de honderdtallen millioenen jaren van het mesozoïsche hoofdtijdvak triassische, jurassische en cretaceïsche gesteentelagen opgebouwd, herhaaldelijk onderbroken door denudatieperioden, waarin afbraak plaats vond. De oorspronkelijke uitbreiding is niet op te maken uit de weinige bestaan gebleven overblijfselen; naar mijn meening hebben deze lagencomplexen zich veel verder uitgebreid dan het gebied waar men ze nu nog aantreft, zoodat in beginsel afbraakproducten daarvan nagenoeg overal aanwezig kunnen geweest zijn en nog aanwezig kunnen zijn. De grove bestanddeelen van het puin worden uiteraard gevormd door de meest resistente bouwsteenen: kwartsrolsteentjes uit de triassische conglomeraten, kiezelzuurconcreties (chalcedoon, hoornsteen, vuursteen) en verkiezelde kalksteen uit de Juraen Krijtsedimenten, enz..

Daarop volgen ettelijke tientallen millioenen jaren waarin de oudtertiaire zeebedekkingen zich uitbreiden en weer terugtrekken. Het grove puin wordt — nog verder afgerold — opgenomen in de transgressieconglomeraten en draagt, na regressie van de zee en slooping van de gevormde afzettingen, telkens weer bij tot de vorming van een nieuw denudatiedek. De ver voortgeschreden staat van afrolling der kwart?- en vuursteenrolsteenen kan op deze wijze in de oudtertiaire strandzones zijn bereikt. Er schuilt dus niets verwonderlijks in het feit dat daarin ook kiezeloölietsteentjes aanwezig zijn, zooals bijv. aan de basis van het Oligoceen van Boncelles is geconstateerd.

Ik neem nu als uitgangspunt het tijdstip dat in de stratigrafische opeenvolging als aanvang Plioceen geldt en ongeveer drie millioen jaren achter ons ligt. Voor de verdere bespreking onderscheid ik: