is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitdrukking brengt de opwelving van het Ardennenland en van de as Artois—Kent (anticlinaal Grisnez-Folkestone).

Gaan wij ruim een millioen jaren verder naar het heden, dan staan wij aan den aanvang van fase C (fig. i). De lijn tusschen land en zee heeft zich verlegd naar de punten Weert—Antwerpen—Brugge— Harwich en de schiervlakte is dus noordwaarts uitgegroeid. De erodeerende werking in de verlengde rivierdalen breekt de binnen bereik komende oudplioceene sedimenten af, het grove puin komt weer vrij en vormt opnieuw een denudatiedek. Tusschen de rivierdalen blijven stukken van den voormaligen zeebodem onaangetast (de tegenwoordige heuvels), in welker toppen de genoemde afzettingen met haar grove bestanddeelen (rolsteenen van vuursteen, kwarts, enz.) voorloopig bewaard blijven.

Weer ruim een millioen jaren verder, aanvang fase D, ligt de lijn in de punten Eindhoven—Kalmpthout—Middelburg—Aldeburg1). Voor hetgeen zich afspeelt in de verder uitgegroeide schiervlakte blijven analoge beschouwingen gelden. Nog eens een tijdsruimte verder, ditmaal van minder dan een half millioen jaren, hebben wij het begin van den Rissglacialen tijd, fase E, bereikt en ligt de lijn nog verder noordelijk en grootendeels buiten ons land. Tot zoover behouden de gebeurtenissen in de opnieuw vergroote vlakte ten zuiden van de laatstgenoemde lijn in beginsel hetzelfde karakter als boven geschetst voor de voorafgaande fasen.

Midden- en Laa g-B elgië tijdens fase D. Op grond van den hierboven ontwikkelden, algemeenen gedachtengang wil ik trachten den toestand gedurende den pre-Riss plistoceenen tijd (Ho), fase D, meer in bijzonderheden vast te stellen.

De toppen der thans nog gespaard gebleven plateau's, heuvelruggen en geïsoleerde heuvels in Midden- en Laag-België met het aangrenzende Frankrijk liggen in een denudatievlak dat sedert fase A opgeheven werd en wordt, in van zuid naar noord afnemende mate. Dit vlak draagt op de tertiaire zeeafzettingen (van Eoceen in het zuiden tot Plioceen in het noordoosten) een puindek dat men als een Deckenschotter of plateauterras moet opvatten.

Lorié noemde dit dek het „diluvium ancien a silex". Hij wilde aldus uitdrukken, ten eerste dat het zeer overwegend uit vuursteenrolsteenen bestaat en ten tweede dat het ongetwijfeld ouder is dan het oudste dalterras — het hoogterras ■— van Maas en Rijn, dat men vroeger wel als „Maasdiluvium" en „Rijndiluvium" aanduidde. In 1910 gaf hij aan een gedeelte van het diluvium ancien den naam van „Scheldediluvium", doch in 1920 achtte hij het juister van dien naam af te zien. Naar mijn meening ten rechte, omdat de tegenwoordige Schelde toen zeker nog niet bestond; het dek is niet als één geheel door een grooten waterstroom van verre aangevoerd en kan beter als een dek van ter plaatse reeds aanwezig puin worden beschouwd,

1) Aan de Oostengelsche kust ongeveer halverwege tusschen Harwich en Yarmouth.

K. N. A.G., LVIII. 5