is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de gravier bleu" van M. A. Lefevre. De schrijfster geeft dezen naam wegens den overvloed van blauwe vuursteenrolsteenen. Ten zuiden van de Jeker is de heuvel van Froidmont een dergelijke „butte", ditmaal als eiland omgeven door hoogterras; verder zuidelijk is de overgang in een duidelijken steilrand geconcentreerd, bijv. zeer fraai bij Milmort. In het algemeen liggen de overblijfselen van het denudatiedek verder op grootere hoogte dan 200 m; sommige vindplaatsen zijn blijkbaar door verplaatsing (afglijding) in iets lager niveau gekomen. In het zuiden van ons Zuid-Limburg is de hoogtelijn van 200 m een zeer bruikbare grens. Deze overblijfselen zijn algemeen verbreid op de hoogere gedeelten, buiten de rivierdalen, in het bergland tusschen Maas en Rijn en vertegenwoordigen slechts de bouwvallen van een vroeger veel vollediger bedekking.

Gemakshalve kan men drie groepen onderscheiden, die in elkander ■overgaan:

1. Pleksgewijze voorkomende laagpakketten van fijn kwartszand, grover kwartszand met fijn grind (zeer overwegend kwartsgrind) en meer of minder rijk aan kiezeloölieten, verkiezelde fossielen, enz.. Ettelijke, maar zeker lang niet alle vindplaatsen zijn op de Belgische geologische kaarten met het teeken „Onx" (of algemeener met het teeken „On") aangeduid, op de Duitsche kaarten als continentaal Tertiair van onbepaalden ouderdom, als Jongtertiair, als „Kieseloölithstufe", enz. (fig. 2).

2. Algemeener zijn geïsoleerd voorkomende en zwak afgeronde blokken van dezelfde gesteenten in verkitten vorm, resten van groep 1. Ze zijn vermoedelijk slechts weinig horizontaal verplaatst; de grootste exemplaren (afmetingen tot 4 a 5 m) zijn m.i. uitsluitend door wegvoering van het omsluitende, onverkitte materiaal blootgelegd en gedaald (descendu sur place). Op sommige Belgische en Duitsche kaartbladen zijn vindplaatsen aangegeven, op andere niet, hoewel ze nagenoeg overal tot op de hoogste ruggen van het gebergte ten zuiden van een lijn Hasselt—Aken—Düren vertegenwoordigd zijn. De blokken hebben steeds veler aandacht getrokken en zijn door sommigen als afkomstig van devonische lagen beschouwd; de hier gegeven verklaring is naar mijn meening de eenige, die hun algemeene verbreiding opheldert. In de omgeving der woonplaatsen ziet men ze vaak benut als hoeksteenen bij kruising van wegen en perceelscheidingen.

Ook op het IIo plateau van Zuidlimburg van 's-Gravenvoeren tot Vaals zijn ze talrijk genoeg. Het grootste en meest ongerepte exemplaar (foto 1 en 2) dat mij in Nederland bekend is, ligt in de grindgroeve circa 800 m ten zuiden van Elzet (blad 771 Gulpen). De groeve ligt op een hoogte van ± 190 m, juist aan den voet van de helling naar het IIo plateau, dat bij ± 200 m begint; het blok is blootgekomen bij winning van het grind, dat een kwartspercentage heeft van circa 55 % en tot de oudste trede van het hoogterras behoort. Het heeft afmetingen van meer dan vier meter, is van grilligen vorm, vertoont kolkgaten en is naar mijn meening