is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de Lampoengsche Districten worden thans drie groote kolonies aangetroffen. De belangrijkste bevindt zich te Gedongtata'an, ten westen van Teloekbetoeng; zij werd in 1905 gesticht en telde in 1940 40 902 kolonisten. In 1921 ontstond de kolonie Kota'agoeng aan de Keizersbaai en deze telde eind 1938 ongeveer 7000 zielen. In 1923 werd in de Lampoengsche Districten een derde groote kolonie bij Soekadana, ten NO van Teloekbetoeng, gesticht. Behalve deze drie groote kolonies telt men er nog een 40-tal kleinere. De volkstelling van 1930 liet zien dat de Javanen 25 % der vaste Inlandsche bevolking der Lampoengsche Districten vormden. Sinds 1934 werden er 37 477 landbouwers-kolonisten van Java door de zorg van het Gouvernement naar de Lampoengsche Districten overgebracht. Voor 1940 bestonden plannen voor een grootscheepsche overbrenging van 30 000 zielen.

In Benkoelen werd in 1909 voor het eerst een proef genomen met de kolonisatie van Javanen in de Onderafdeeling Lebong. In 1930 is in Kepahiang, aan den bovenloop van de Moesi-rivier, een ongeveer 1000 zielen tellende kolonie gevestigd, terwijl in hetzelfde jaar ook in de Onderafdeeling Lais bij Perbo daarmee een begin werd gemaakt, waar in 1931 slachtoffers van de Merapi-ramp bijgevoegd werden (1931: 400 zielen). In de jaren 1933 t/m 1936 koloniseerden jaarlijks 150—400 gezinnen naar Benkoelen, doch daarna zijn geen nieuwe kolonisten aangekomen. Er schijnen hier weinig geschikte terreinen voor kolonisatie meer voorhanden te zijn.

In Palembang werden in 1937 op een tweetal terreinen Javaansche landbouwers gevestigd, nl. bij Loeboeklinggau (bij de grens met Benkoelen) en bij Martapoera (bij de grens met de Lampoengsche Districten). Eind 1938 waren er in de residentie Palembang ongeveer 8100 Javanen gevestigd. Voor 1940 bestonden er plannen om de kolonisatie bij Loeboeklinggau met 2400 emigranten voort te zetten.

In 1937 werden eveneens de kolonisatiemogelijkheden in Djambi onderzocht. Deze bleken niet bijzonder bevredigend, desondanks hoopte men in 1940 2000 zielen naar het gebied van de Tabir (zijrivier van de Batanghari) te kunnen overbrengen (zie dit Tijdschrift, 1940, blz. 636).

In Borneo zijn eveneens sedert 1938 eenige geslaagde kolonisatiepogingen gedaan, o.a. bij Pengaron (ten oosten van Bandjermasin), waar 100 gezinnen van Madoereesche landbouwers zijn neergestreken. Eind 1938 leefden er in de Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo 759 kolonisten. Het voornemen bestond om in 1940 800 emigranten naar Borneo over te brengen.

Op Zuid-Celebes werden in 1937 kolonisten gevestigd o.a. bij Boengi, ten zuiden van Paréparé. In 1938 werden nog twee kolonies gesticht aan de noordkust der Golf van Bone, namelijk tusschen Masambi en Malili (zie dit Tijdschrift, 1938, blz. 835). Eind 1938 telden de Javaansche kolonies op Celebes 6300 zielen. Het kolonisatieplan voor 1940 omvatte voor dit eiland 11 000 emigranten.

In 1937 werden voorts 77 Madoereesche landbouwgezinnen en 45 Javaansche boscharbeidersgezinnen naar het eiland Moena overge-