is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren. Maar met de dichtslibbing van de Middelzee begon de beteekenis van de statige kerk van St. Vitus op Oldehove te tanen, de kerk van Nijehove werd later overvleugeld en verdrongen door die van het er dichtbij gebouwde klooster der Jacobijnen, en St. Catharijne op den „Hoek" heeft altijd slechts een ondergeschikte beteekenis gehad. Daarentegen bleven de stinsen belangrijk, vooral Minnema. De stinsen (d.z. steenhuizen) vervangen in deze gewesten de havezathen en riddermatige hofsteden in de andere gedeelten van Nederland. De stinsen in Leeuwarden zijn voor de ontwikkeling der stad niet minder belangrijk dan die in Groningen of dan de talrijke havezathen in Vollenhove. Maar deze ontwikkeling begint pas in een zóó laten tijd (de stadsrechten dagteekenen uit de 15e eeuw!), dat stellig mag worden verondersteld dat er in de vroege middeleeuwen nog geen sprake van was. De overtocht over de Middelzee verkreeg ook pas zijn beteekenis toen de bedijking langs die zee was voltooid. Wij zien dus ook in de plaats van de stad Leeuwarden oorspronkelijk geen dorp, maar toch wel zuiver plattelandsche toestanden op een aantal der voor het kleigedeelte van Friesland zoo kenmerkende terpen.

Er blijft dus niet veel over van den invloed dien de dorpen vóór de opkomst der steden zouden hebben gehad volgens de tot dusver heerschende opinie. Integendeel, er bestaat in het algemeen een stelselmatige tegenstelling tusschen dorp en stad. De dorpen zijn en waren altijd nederzettingen van een overwegend agrarische structuur. Er was wel dikwijls een kerk, er was een herberg, er was denkelijk al vroeg een school in verband met de weeme (pastorie) of in verband met een of ander klooster, er was misschien ook later een of ander winkeltje; maar vooral en in de eerste plaats was het dorp een woonplaats van boeren (voor zoover deze niet over het land verspreid woonden in hun afzonderlijke hofsteden). De steden zijn daarentegen voor het overgroote deel juist gekenmerkt door het op den achtergrond treden of zelfs geheel ontbreken van het agrarische moment. De steden zijn van het begin af een middelpunt van bestuur en een plaats van vestiging voor de neringdoenden. Hieruit vloeit haar aloude functie van markt voort. De mercatus, waar de waren te koop staan, vormt een tegenstelling met de zuivere agglomeraties van woningen (turbae, dorpen). Maar de markt lag oorspronkelijk veelal niet in de steden, maar daarbuiten (forum, van foris „buiten"). De neringdoenden, wonende binnen den kring van hun veilige palissadeering en later ommuring, voelden er niet veel voor om de koopers van hun waren binnen de veilige zone te halen. De kerkhoven rondom de kerk, de markten buiten de veste: ziedaar juist het tegenovergestelde beeld van hetgeen wij uit de latere tijden gewend zijn.

Het is echter bij een zóó ingewikkeld vraagstuk als dat van den oorsprong der steden natuurlijk niet voldoende stil te staan bij de bepaling van de oudste kern, de oorspronkelijke functie en de ligging in het landschap. Al moet de geograaf uit beginsel zich zoo weinig mogelijk bezig houden met vraagstukken van zuiver geschiedkundigen of juridischen aard, zoo mag hij toch talrijke factoren niet over het