is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het laatst van de 18de eeuw kreeg de kwestie over de grenzen haar beslag.

Tusschen het Leekstermeer en den Hondsrug liggen moeras- en laagveenstreken. Daarin bevindt zich thans het Paterswoldermeer, doch dat is pas in de 19de eeuw door uitbaggering ontstaan. Dit beneden den zeespiegel gelegen gebied vormt een kom tusschen de diluviale zandgronden van het Drentsche Noordenveld en de naar het noorden hooger wordende klei van het Westerkwartier en Hunzego. Zelfs na de stichting van het gemaal Eleotra beoosten Zoutkamp treft men er nog vele drassige gronden aan. Het is nu een dun bevolkt gebied; in vroeger eeuwen waren deze madelanden van Eelde, Peize en Roden onbewoond. De oppositiepartijen in de stad Groningen, bv. die der Gelkingen, zochten aan den zuidrand der moerassen vaak een toevluchtsoord om er, soms met behulp van de Drenten, de tegenstanders te bestoken. Vandaar de vele kasteelen in den noordhoek van Drente, vandaar ook dat juist in deze streek de bisschop van Utrecht den schulte van Eelde aanstelde. Het is de stad Groningen nimmer gelukt haar politieke invloedssfeer bezuiden dit moerasgebied uit te breiden, zoodat thans de provinciale grens slechts een paar kilometer van de stad is verwijderd. De scheidende werking van moerassen treedt hier zeer duidelijk naar voren, vooral als men bedenkt dat de machtige stad het Goorecht, het Oldambt en Westerwolde wist te onderwerper en de Ommelanden — nl. het Westerkwartier, Hunzego en Fivelgo — politiek aan zich bond.

Pas beoosten de Drentsche A bereiken wij weer hoogere gronden. Langs den Hondsrug reikte het Oversticht oorspronkelijk noordwaarts tot de zeeklei. In 1419 werd Groningen nog genoemd „één der zes hoofdsteden van het Sticht". De twisten tusschen bisschop David en de Staten van het Nedersticht eindigden in 1477 door bemiddeling, o.a. ook van Groningen, met een verzoening. Het is dus zeker dat Groningen toen nog een Stichtsche stad was, al bezat het groote zelfstandigheid. De door den bisschop aangestelde prefect verloor zijn invloed meer en meer en verdween omstreeks 1400. Groningen werd feitelijk een vrije stad, die in de 15de eeuw zelfs met toestemming van den Keizer van Duitschland een rijksarend in haar wapen ging voeren. Met de stad ging ook het latere Goorecht voor het Sticht verloren. Dit omvatte Wold, d.i. de streek tusschen de Drentsche A en de Hunze, benevens Goo, het gebied van de Hunze tot de Borgsloot, die op de grens met Fivelgo door de venen van Engelbert en Middelbert werd gegraven. Het spreekt van zelf dat de stad trachtte haar invloed langs den Hondsrug zoover mogelijk naar het zuiden uit te breiden. Omgekeerd begrepen de bisschoppen eveneens de waarde van deze eenige toegangspoort. Toen dan ook Frederik van Blankenham omstreeks 1400 trachtte het bisschoppelijk gezag in het uiterste noorden van het Oversticht te herstellen, legde hij de naar hem genoemde sterkte Blankeweer bij Noordlaren aan. De weg over den Hondsrug leidde naar Koevorden, maar hij had een zijtak naar Assen, die bij de „Ponterbrug" over de grensrivier de Drentsche A ging. Reeds in 1456