is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat de vorming van 't profiel van dezen zandkop III bij het Heerser veen betreft, lijkt mij deze volgorde het waarschijnlijkst:

Na de vorming van II 8 der geologische kaart krijgt men in den Allerödtijd het ontstaan van de landduinqn.

De cultuurresten — te weinig in getal voor een typologische determinatie — zijn uit den borealen tijd, waarin ook de heidevegetatie ontstaat en waarin de vorming van de ruwe humus begint.

In het vochtige atlanticum val't dan de podsoliseering van den bodem — waarbij de loodzandlaag aan de westzijde het meest wordt uitgeloogd (± 90 cm) — en begint de veenvormingboven dit podsolprofiel, eerst in de lagere deelen, later met een veel dunnere laag over het heele terrein heen.

In recenten tijd komt dan door den invloed van den mensch de uitdroging van het veen en begint de heide weer op het veen te groeien.

Wat de vorming van het profiel II bij Sluijer in het Beerserveld betreft, zij opgemerkt dat de vuursteenen aan den onderkant van de loodzandlaag liggen in het podsolprofiel. Deze vuursteenen zijn door de microburins te determineeren als mesolithisch, dus vroeg-atlantisch tot boreaal. Het laagje veen hier over heen is echter veel dunner, zoodat de tijdsbepaling door middel van het veen ons niet kan helpen. Het veen is hier post-atlanticum en waarschijnlijk heel jong.

Wij hopen op nog meer dergelijke profielen en steun voor uitgraving er van. Voor veld-archaeologen, waaraan wij dringend behoefte hebben, is hier in deze streek nog heel wat te vinden.

ZUSAMMENFASSUNG. I. Am Flusse Vecht (Ommen, Provinz Overijsel) fand ich im Jahre 1929 eine grosse Sammlung Microlithen und Abfallabschlage. (Siehe: Levende Natuur, October 1930). II. Beerser veld (Foto 1); 9./30 November 1935 fand ich hier eine dünne, auskeilende Moorschicht I4V = Hochmoor der Reichs Geologischen Karte) über einem Podsolprofil, und zwar im untersten Teile des Bleichsandes Hunderte von mesolithischen Artefakten (Microstichel, Nuclei, Messer, Kratzer, Spitzen, Dreiecke, Trapeziums, u.s.w.) aus der borealen bis Anfang der atlantischen Periode. Von oben nach unten: 70—60 cm Heide und Torf; 60—50 cm schwarzer Sand; 50—38 cm Bleichsand ; 38—28 cm Schwarzer Sand ; 28—20 cm Ortstein ; 20—O brauner Sand. Das Podsolprofil muss entstanden sein nach dem Boreal oder Früh-Atlantikum. III. Beerser Veen (Foto 2, 3, 4) ; 6./10. Mai 1939 fand ich hier ein Podsolprofil unter auskeilendem Hochmoore. Ortstein, Bleichsand und Hochmoor (I 4 v) liefen auf dem ganzen Terraine ununterbrochen durch. In H. war das Hochmoor am diclcsten: 1—60 cm Hochmoor {1. grauw veen (Junger Sphagnetumtorf). 2. Stubbenhorizont. 3. Schwarzer Torf (Alterer Sphagnetumtorf)} ; 60—180 cm Bleichsand; 100—120 cm schwarzer Sand; 120—150 cm Ortstein; brauner Sand. Dr. J. Visscher gibt in „Das Hochmoor von Süd Ost Drenthe" ein Type von den Niederlandischen Mooren: Bunkerde; Junger Sphagnetumtorf oder Grauwveen (Feuchte Periode) ; Grenztorf (oberste Stubbenhorizont) (Trockene Periode); Alterer Sphagnetumtorf oder schwarzer Torf (Feuchte Periode). Das Podsolprofil muss also eher entstanden sein als das End-Atlantikum. Im Bleichsande fand ich bei A und D, in 20—65 cm Tiefe, bearbeitete Feuersteine (Nuclei, Messer u.s.w.) welche alter als End-Atlantikum zu datieren sind. Die Podsolprofile datieren also aus dem Atlantikum. (Siehe: Prof. Dr. J. Andree, Mannusbibliothek 52 Seite 49). Der JBleichsand war am dicksten im Westen (± 0.9 m).

12*