is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deleeuwen. De voortschrijding van dit landaangroeiingsproces schiep omstreeks de middeleeuwen aan deze oostkust weer een anderen morfologischen toestand. Wel bestonden nog de baaien, maar deze waren reeds ten deele dichtgeslibd en de kustlijn was zeewaarts vooruitgeschoven. Vooral aan de monden der rivieren hadden zich delta-eilanden gevormd die geleidelijk met den vasten wal en onderling samengroeiden, waardoor ook de rivieren haar monden verder in zee hadden; rivieren die oorspronkelijk met een eigen mond in zee (de baaien) stroomden, werden affluenten van andere.

Van deze gesteldheid maken vooral de Arabische berichten25) melding; deze toch spreken van zeearmen die diep landwaarts binnendrongen in de Zuid-Sumatraansche rijken Zabag en Sarboza, welker hoofdsteden ongeveer in het midden dezer rijken aan deze zeearmen en aan rivieren waren gelegen (d.i. aan rivieren, die in deze zeearmen uitmondden). Zij spreken ook van zeeëngten en van ondiepe straten tusschen eilanden en van een gevaarlijk vaarwater in de zee van Zuid-Sumatra.

Ook de Chineesche en Europeesche reizigers doen dit26).

In de middeleeuwen bevonden de baaien zich dus in vergevorderden staat van dichtslibbing; door ophooging der rivieroevers (de tebing) en de vorming en aaneengroeiing van delta-eilanden werd de loop van de groote rivieren, de Batanghari en de Moesi, getraceerd en werd de kustlijn vooral aan de mondingen vooruitgeschoven. Deze rivieren en de in zee uitstekende landtongen kregen daardoor bekendheid bij zeevaarders die Straat Bangka, de klassieke zeeroute tusschen China en Voor-Indië, bevoeren.

Op kaart 3 is ook het vermoedelijk verloop van de kustlijn in de middeleeuwen aangegeven, waarbij rekening is gehouden met de gegevens van Arabische, Chineesche en Europeesche reizigers.

Cartografie. Wij zullen de hierboven geschetste morfologische geschiedenis van Sumatra eerst eens nader aan geografische gegevens toetsen en daarbij gebruik maken van het omvangrijke kaartenmateriaal dat geografen en cartografen ons hebben nagelaten. Daar deze oude kaarten in den regel zeer primitief zijn en niet berusten op een mathematischen grondslag, moest de quantiteit het gemis aan qualiteit vergoeden en moest verder het onderzoek tot de hoofdzaak beperkt blijven. Dit beteekent dat wij een zeer groot aantal van deze kaarten stuk voor stuk hebben onderzocht op de aanduiding van een baai aan de oostkust van Sumatra nabij Djambi en Palembang27); van slechts enkele van deze kaarten konden eenvoudige,

25) Ibn Sa'id, Abülfida, Dimaski, Mas'üdï (Ferrand. Relations des Voyages) en de Kitab 'adjaib al-Hind (Lith, P. A. van der en M. Devic, Le Livre des Merveilles de 1'Inde).

26) Wang Ta-yuen en Ma Huan (Rockhill, Notes on the relations, etc., T'oung Pao, Juli 1914) en Marco Polo (Yule, Col. Henry, The Book of Ser Marco Polo).

27) Ik raadpleegde deze kaarten in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel, in het Museum Plantin en de Stadsboekerij te Antwerpen, in het Britsche