is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Plinius, Pompejus Mela — den auteur van de Periplous tès Erythras thalassès — en vele anderen van deze goud- en zilvereilanden gewag gemaakt als Chryse en Argyre, met de zilverstad Argyre „op het westelijke uiteinde".

Dionysius Peregietes (He eeuw) en in navolging van hem Rufius Festus Aviénus (IVe eeuw) spreken van freta, een zeeëngte aan het uiteinde van Taprobane en bij het zuidelijke voorgebergte van Chryse, welke zeeëngte de eigenaardigheid had dat zij voor schepen die uit het noorden kwamen een zuidelijke bocht maakte4). (Kern, J. H. C., Verspreide Geschriften, deel V, Java en het Goudeiland).

Taprobane dachten de Grieken zich als een in zuidoostelijke richting langgerekt eiland, zoo groot als Ceilon plus Sumatra tezamen; als wordt aangenomen dat Chryse (het goudeiland) = Suvarnadvïpa (het goudeiland) is, dan kan de zeeëngte met de zuidelijke bocht zich dus in Zuid-Sumatra bevonden hebben (waar de scheiding tusschen Noorden Zuid-Sumatra geacht werd te bestaan). Aan de andere zijde hiervan lag Iaba- of Sabadiou = Yavadvïpa.

De oudste Chineesche berichtgeving gewaagt ook reeds van goudproduceerende landen gelegen aan een baai, „la grande baie de la Frontière d'Or", zooals Pelliot haar noemt. Zij spreekt ook van een zeeëngte, de straat Tche van 100 li breedte, aan de eene zijde waarvan Lo-yue 5) en aan de andere zijde Che-li-fo-che (= (Jrïvijaya, het Zuid-Sumatraansche rijk) was gelegen.

De Leang-annalen (502—556) beschrijven deze groote baai en aan deze baai het goud-eiland Kin-lin (bij I-tsing, Kin-tchiu) en de rijken Tu-k'un, Pien-tiu of Pan-tiu, Kiu-li of Kiu-tchiu en Pi-song. Eerder nog, in de San tu fu, samengesteld in de Ille eeuw, wordt volgens Pelliot gezegd: „au-dela du Fou-nan il y a le pays de la Frontière d'Or qui est environ a plus de 2000 li du Fou-nan; le pays produit de 1'argent, les habitants aiment a chasser les grands éléphants"6).

De naam Pi-song heeft in het Chineesch de beteekenis van

„voortzetting van het hoogere gebergte", waaruit blijkt dat ook bij de Chineezen evenals bij de Grieken en Romeinen sprake is van een voorgebergte op het goudeiland.

Aan de andere zijde van deze groote baai localiseerden de Chineezen Ye-tiao (in de Heu han shu, 132 a.d.), Ye-p'o-t'i (in de Fu kwoh ki van Fah-hian, 414 a.d.) en Yen-mo-na = Yawana (bij Huen

4) Wat Dionysius Peregietes en Rufius hier verklaren, komt uit met de ligging van de baai aan de oostkust van Zuid-Sumatra, De schepen van Indië komende (uit het noorden) en door de straat van Malaka varende, moesten naar het zuiden koersen om deze baai binnen te zeilen.

5) Men heeft dit op de zuidwestkust van het schiereiland willen localiseeren, maar dan klopt de afstand van 100 li (= 50 km) niet. Meer voor de hand ligt het, dunkt mij, om het aan den anderen kant van de baai gelegen te beschouwen. Dit Lo-yue zou dan een afkorting van Mo-lo-yu kunnen zijn (zie hierachter bij I-tsing).

6) Pelliot, Paul, Le Fou-nan in B.E.F.E.O., tome III, 1903, pag. 267. Van deze olifanten wordt nog een aanwijzing gegeven in den naam „Estuaire des Éléphants". Ook in het gedicht van Rufius wordt van olifanten gesproken.