is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Resumeerend kan men zeggen, dat het bevolkingselement, waarvan de schedelkapsels, in de urnvelden van Melolo gevonden, bestudeerd zijn geworden, een uitgesproken meso-dolichocephaal volk is. Bij vergelijking met de recente Soembaschedels, door Ten Kate onderzocht, bleek de gemiddelde index cranicus bij de Meloloschedels (76,03) iets kleiner te zijn dan bij de recente Soembaschedels (77,12). Duidelijker bleken echter de verschillen bij beide schedelgroepen, wanneer men nagaat de percentages dolicho-, meso- en brachycranen. Bij de Meloloschedels bleek dolichocranie en mesocranie veelvuldiger voor te komen dan bij de recente Soembaschedels, daarentegen is bij eerstgenoemde schedels het percentage brachycrane schedels veel kleiner dan bij de recente Soembaschedels. Bij de beoordeeling dezer verschillen diene men echter rekening te houden met het kleine aantal Soembaschedels, dat door Ten Kate kon worden onderzocht (slechts 12).

Vergelijking met de gegevens, verkregen door meting bij levende Soembaneezen, leverde overeenkomstige resultaten. De gemiddelde waarde van den index cephalicus der levende Soembaneezen verschilt slechts weinig van het gemiddelde, dat bij de urnschedels werd gevonden. Verder bleek, dat dolichocephalie bij levende Soembaneezen minder frequent, daarentegen brachycephalie meer frequent voorkomt dan bij de urnschedels. Dezelfde verschillen dus als tusschen de recente Soembaschedels en de urnschedels werden geconstateerd.

Echter vond Ten Kate, dat de tegenwoordige bevolking van OostSoemba een lageren index cephalicus (77,5) heeft dan die van WestSoemba. Het schijnt dus, dat de tegenwoordige bevolking van OostSoemba meer gelijkenis vertoont met de oude urnbevolking aldaar, dan de tegenwoordige bevolking van West-Soemba. De gevonden resultaten geven daarom m.i. geen recht tot de opvatting, dat het urnvolk een geheel ander bevolkingselement zou zijn dan de tegenwoordige Oost-Soembaneezen. Bovendien schijnt het feit, dat in de gemiddelde waarden van verscheidene andere afmetingen, indices en hoeken de Meloloschedels een intermediaire plaats innemen ten opzichte van de overeenkomstige waarden, bij andere Indische schedelgroepen geconstateerd, eenigszins erop te wijzen, dat het urnvolk tot de nu nog in den Indischen Archipel levende raselementen moet worden gerekend en niet een geheel ander volk voorstelt.

Daar, gelijk gezegd, het urnvolk een in hoofdzaak meso-dolichocephaal bevolkingselement was, komen mijns inziens drie bevolkingsbestanddeelen van den Indischen Archipel ter verklaring van dit volk in aanmerking, n.1. een Proto-Maleisch element, een Wedda-element en een Papoea (Melanesisch) element.

Het laatstgenoemde schijnt men wel te kunnen uitsluiten. Immers het type der Meloloschedels gelijkt volstrekt niet op dat van Papoeaschedels. Bovendien is de gemiddelde waarde van den index cranicus der urnschedels te hoog voor het Papoea-element en is het percentage dolichocranie bij de urnschedels wel te klein. Verder is mij in de