is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

glacigene karakter van de afzetting blijkt volgens de meening der glacialisten o.a. uit de aanwezigheid er in van bekraste keien en blokken uit ver afgelegen, maar toch min of meer bekende oorsprongsgebieden, van waaruit, volgens hun meening, het transport alleen door gletscher of landijs mogelijk was.

Ter beoordeeling van de uitspraak van Sandberg, „Deshalb muss die wirkliche Grundmorane lehmfrei sein" zij er op gewezen, dat hiermede volgens de toenmaals heerschende opvatting de subglaciaal voortbewogen gesteentebrij is bedoeld. De sedimentatie van wat wij grondmoreene noemen, heeft echter vermoedelijk voor een groot gedeelte plaats in het doodijsstadium, onder klimatologische en daarmede samenhangende fysische omstandigheden, die van den toestand bij den actieven gletscher afwijken en nog weinig bekend zijn. Zooals ook in andere opzichten, moeten wij Sandberg echter dankbaar zijn, dat hij gewezen heeft op een zwak punt in onze verklaring van een verouderde zienswijze, die wij gewend waren als een vast bestanddeel van onze glacialistische beschouwingen op te vatten.

Haar sterksten steun heeft hetgeen Sandberg de „Glazialtheorie" noemt, ten allen tijde ontleend aan het, van uit een actualistisch standpunt zoo moeilijk verklaarbare verschijnsel der „erratica", der zwerfsteenen. De vloedtheorie uit het midden der XlXe eeuw was zeker slechts een product, ontstaan uit gebrek aan iets beters; ze verklaarde immers alleen den oorsprong, de herkomst, maar niet de wijze van ophooping, dus ook niet de wijze van transport. Daarom werd de suggestie van Torell dat de erratica moreene-materiaal van het tot zoo ver opgedrongen Scandinavische landijs zouden zijn, als een ware verlossing gevoeld. Ook de kritiek door Sandberg kan hier geen nieuwen twijfel doen ontstaan. Wel betwist hij de mogelijkheid, dat het gletscherijs groote moreeneblokken op grooten afstand meevoert zonder dat deze in de grondmoreene tot rust komen of door de bekende atmosferische krachten worden verbroken en vermorzeld. Aan andere transporten schrijft hij wèl het vermogen toe zwerf steenen over grooten afstand te vervoeren, nl. aan catastrofale watervloeden, gloedwolken en dergelijke.

De afstanden, waarover reuzenblokken van bekende plaats van oorsprong door de diluviale Alpengletschers getransporteerd werden, bedragen volgens het door Alb. Heim 5) gegeven overzicht 100 km en meer. Om de afstanden tusschen plaats van oorsprong en uiteindelijke ligging van zwerfblokken bij actieve gletschers vast te stellen, heeft men slechts de verschijnselen bij de Karakoroemgletschers na te gaan. Men vindt dan wèl groote afstanden, grootere dan Sandberg mogelijk acht, en kan tegelijkertijd vaststellen, welke gesteentensoorten een zoo lang transport uithouden. Het schijnt mij toe, dat het hier in 't bijzonder gaat om zwerfsteenen uit diepte-

5) Heim, Alb., Geologie der Schweiz, Bd. I. Leipzig, 1916—1919. Speciaal pag. 234 e.v..