is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1941, 01-01-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

modelleering gedeeltelijk op rekening van de afwisseling in den klimaattoestand wordt gesteld. In een interglaciaaltijd hadden de rivieren de gelegenheid om het geheel van haar overvloedige kracht te gebruiken voor erosie, d.w.z. voor dieper insnijden; in de glaciaaltijden slaagden de gletschers er in om de dalbodems uit den V-vorm in een breeden trog te veranderen. In verband daarmede is men ook voor het hooggebergte overgegaan tot een systematische scheiding der glaciale en der interglaciale vormen en invloeden.

Nu brengt de heer Sandberg een aantal argumenten naar voren, waaruit z.i. de onjuistheid van een onderscheiding van glaciaal en interglaciaal moet blijken. Ten eerste ontkent hij het in één profiel voorkomen der drie keimergels met twee interglaciale horizonten er tusschen. Een dergelijk profiel — ook een ontbreken daarvan zou evenwel nog geen bewijskracht hebben! — is echter in de literatuur wel bekend van verschillende plaatsen in de Noordduitsche laagvlakte, o.a. Phöben en Oranienburg. Het gaat hier dus niet om gecombineerde en daarom discutabele profielen.

Maar belangrijker is de kritiek, die Sandberg uitoefent op den, om zoo te zeggen palaeontologischen grondslag der „interglaciaalhypothese".

De opeenvolging in den tijd van „met ijs bedekt" en „ijsvrij" toegevende, zijn wij volgens Sandberg nog niet gedwongen de opvatting van een klimatologischen cyclus, of van meer cycli, loopende van warm over koud weer naar warm, te aanvaarden. Deze suppositie moet steunen op de bevestiging der klimatologische veranderingen door biologische feiten.

Onze biologische beschouwingen daaromtrent berusten echter op de beide volgende onderstellingen: i. de diluviale soorten leefden onder dezelfde voorwaarden als haar tegenwoordige verwanten, en: 2. wanneer wij een menging van warmte- en koude-lievende organismen vinden, dan moet dit het resultaat zijn van een klimaatsverandering, aan welke de organische wereld nog niet was aangepast. De bekende „interglaciale" zoogdierenfauna's zijn een mengsel van aan warmte en aan koude aangepaste typen; men redeneert dus: de door, of met het ijs naar het Z geëmigreerde zoogdieren ontmoeten bij i.et smelten van het ijs de uit het Z weer opdringende zoogdieren van het gematigde of warme klimaat, en een dergelijk heen- en weertrekken heeft verschillende keeren plaats gehad. Maar zooals alle wetenschappelijke opvattingen niets anders zijn dan werkhypothesen, heeft men er ook van biologische zijde op gewezen, dat onze beide, boven aangehaalde veronderstellingen niet voldoende zijn gefundeerd, dat wij bv. niet met zekerheid weten, of inderdaad het rendier oorspronkelijk een subpolair dier was, of zijn „terugkeer" naar het N niet veel eerder een nieuw verworven aanpassing zal blijken te zijn, in welk geval het dus uit het Z afkomstig zou kunnen zijn9). In dezen geest zou dus, volgens Sandberg, eventueel

9) Van der Vlerk, I. M., Nederland in het ijstijdvak. Rede ... uitgesproken ... te Leiden ... 1938.